De ene hobotoon van Yun en Heinz Holliger glijdt door het orkest

Concert: Radio Filharmonisch Orkest en de Laurenscantorij o.l.v. Ivan Fischer m.m.v. Heinz Holliger (hobo). Programma: Werken van G. Mahler, A. Webern, I. Yun en B. Bartók. Gehoord: 6/3, Concertgebouw, Amsterdam. Radio-uitzending: 14/5, 20.02 uur Vara Radio 4.

De Koreaanse componist Isang Yun streeft in zijn composities naar een versmelting van Oosterse en Westerse muziek. Een van de middelen die hij daartoe gebruikt is de "Einzelton", een geïsoleerde toon die wordt gevarieerd en versierd. Ook in het Hoboconcert uit 1990, dat zaterdagmiddag tijdens de Vara-Matinee in het Amsterdamse Concertgebouw zijn Nederlandse première beleefde, ontwikkelt de muziek zich vanuit een lang aangehouden hobotoon.

De tergend spannende glissandi en rusteloze figuraties van hoboïst Heinz Holliger planten zich door het Radio Filharmonisch Orkest voort zoals een rimpeling op een watervlak het licht in eindeloos veel schitteringen breekt. Aanvankelijk gebruikt Yun het orkest als een statisch tremolerend klankdecor voor de hobo. In een tweede gedeelte, waar Holliger klagelijke cantilenes speelt op de donkerder klinkende hobo d'amore, verkruimelt de ademende beweging in het orkest tot grillige omzwervingen waarmee de afzonderlijke instrumentgroepen de ene toon in de andere laten verglijden. Holligers schijnbaar moeiteloze beheersing van zijn instrument stond slechts in dienst van de intenties van Yun en verzandde nergens in loos effectbejag.

Dat ook het Radio Filharmonisch Orkest onder Ivan Fischer tot geconcentreerde uitvoeringen kan komen, werd al eerder duidelijk in het symfonische gedicht Todtenfeier van Mahler (de eerste versie van de opening van de Tweede symfonie) en de Fünf Orchesterstücke opus 10 van Webern. Fischer's kernachtige visie op Mahler's zelfonderzoek naar de zin van het leven benadrukte eerder de kleurrijke instrumentatie dan de gevoelslading van de muziek, zonder overigens uit te monden in een al te nuchtere analyse. In de doorzichtig gespeelde orkestminiaturen van Webern viel het contrapunt op tussen klankverwante instrumenten als celesta en klokkenspel, harp en gitaar, harmonium en strijkers. Als om de verwijzing naar de Todtenfeier te benadrukken bleef Fischer op de bok staan toen het Mahler-orkest zich indikte tot het minimale Webern-ensemble.

De ritmische erupties in het ballet-pantomime De Wonderbaarlijke Mandarijn van Bartók zijn wel vergeleken met Stravinsky's Sacre du Printemps. Maar de muziek waarmee Bartók de opoffering van een Chinese mandarijn voor een jonge prostituée symboliseert, stelt aanmerkelijk hogere eisen aan de verbeeldingskracht. Ondanks de prachtig gedetailleerde uitvoering bleef het lastig de extatische klankbeelden te interpreteren.