Begemann-dochters in surséance van betaling

ROTTERDAM, 8 MAART. Het bedrijvenconglomeraat Begemann (machinebouw) heeft vanmorgen surséance van betaling aangevraagd voor twee dochterondernemingen, Backer en Rueb Breda en Begemann Staalbouw. Bij beide bedrijven, in Breda gevestigd, werken in totaal 183 mensen.

De Begemann Groep (circa vijftig ondernemingen met in totaal zo'n 8.500 werknemers), die onlangs nog de failliete Vlaamse scheepswerf Boelwerf overnam, gaat ervan uit dat vanuit de surséance “nieuwe mogelijkheden” voor beide bedrijven kunnen worden ontwikkeld. Backer en Rueb en Begemann Staalbouw produceren en onderhouden respectievelijk onder meer industriële ketels en bruggen en sluizen. Het verlies voor de twee dochters gezamenlijk liep in de afgelopen jaren op tot 36 miljoen gulden. “Het afstoten van beide ondernemingen past in het beleid aanwezige verliessituaties te elimineren”, aldus directielid B.K. van Dijk van Begemann.

Volgens Begemann zal de afschrijving van de twee ten laste gaan van het resultaat over 1992 en niet leiden tot extra verliezen in 1993. Desondanks daalde de koers van Begemann op de Amsterdamse effectenbeurs vanmorgen scherp na het bekend worden van het nieuws. Beleggers zien de surséance van betaling van beide dochters als een verder bewijs voor de slechte gang van zaken bij het concern. De koers van Begemann (slot vrijdag: 39,00 gulden) was om 13 uur 1,50 gulden lager.

De Industriebond FNV liet vanmorgen in een eerste reactie weten op “zeer korte termijn een afspraak te willen met Joep van den Nieuwenhuyzen”, de president-directeur van het Begemann-concern. Volgens een FNV-woordvoerder schendt Begemann de in mei vorig jaar gedane afspraak 3,5 miljoen gulden aan achterstallige investeringen voor beide bedrijven beschikbaar te stellen, in combinatie met een reorganisatie waarbij dertig banen zouden verdwijnen.