Verkiezingen Zuid-Afrika zullen uitmaken wie echt is en wie veinst

De schijnbaar rommelige overgang van Zuid-Afrika uit het apartheidssysteem zal tot een orderlijker resultaat leiden dan de bittere meningsverschillen en golven van politiek geweld nu doen vermoeden.

Achter de schermen wordt onderhandeld over rudimentaire overeenkomsten over de procedure voor de kabinetsvorming. Die moet het mogelijk maken dat Zuid-Afrika binnen een jaar kan worden geregeerd door een coalitie-regering van vijf partijen, met Nelson Mandela als president. Die overgangsregering van nationale eenheid, zoals zij wordt genoemd, zal het land vijf jaar lang regeren om de gescheurde etnische en politieke groeperingen de tijd te gunnen zich met elkaar te verzoenen. Daarna zal er een normale meerderheidsregering komen.

Uit de overeenkomsten die zijn gesloten in een reeks complexe bilaterale onderhandelingen tussen de belangrijkste politieke medespelers vloeit voort dat elke partij die in de eerste algemene verkiezingen van Zuid-Afrika de toelatingsdrempel voor de kabinetsformatie haalt, in het coalitiekabinet zal zijn vertegenwoordigd. Het aantal ministers per partij zal in verhouding staan tot het aantal behaalde stemmen en de belangrijkste partij zal de president mogen aanwijzen. Van de president wordt verwacht dat hij vooraf elke partij van de coalitie raadpleegt, maar over een aantal kernpunten zal het meerpartijen-kabinet met een tweederde meerderheid van stemmen besluiten kunnen nemen. De hoogte van de formatiedrempel is uiteraard van belang voor wie al dan niet meeregeert. De Nationale Partij van de zittende president F.W. de Klerk stelde aanvankelijk een drempel voor van vijftien procent van het totale aantal stemmen, maar heeft dit sindsdien verlaagd naar tien procent. Het African National Congres (ANC) van Mandela wil een percentage van vijf procent, en het is waarschijnlijk dat dit zal worden aanvaard. Het verschil geeft enig inzicht in de benaderingswijze van de twee belangrijkste politieke leiders. Uit de jongste opiniepeilingen is gebleken dat met een drempel van tien of vijftien procent alleen het ANC en de Nationale Partij zouden kwalificeren voor deelname aan het Kabinet. Op vijf procent zouden vijf partijen daarvoor in aanmerking komen, het ANC, de Nationale Partij, het zwarte extremistische Panafrikaans Congres, de blanke extremistische Konservatieve Partij, en de Inkatha vrijheidsbeweging van Mangosuthu Buthelizi, in volgorde van belangrijkheid.

Indien het ANC er zeker van kan zijn als sterkste partij uit de bus te komen, waarom geeft het dan de voorkeur aan een coalitie op een bredere basis en de Nationale Partij juist aan een op een smallere basis?

In de eerste plaats omdat de Nationale Partij sterker staat in een tweepartijen-coalitie dan in een vijfpartijen-coalitie. Het ANC is ervan doordrongen dat, hoewel het de verkiezingen zonder al te veel moeite kan winnnen, de Nationale Partij haar grote invloed zal kunnen handhaven op de hoofdzakelijk blanke overheidsbureaucratie en de veiligheidstroepen die haar jaren lang tijdens het apartheidsregeime heeft gediend. Als zij de enige andere partner is in een coalitiekabinet kan de Nationale Partij deze macht effectiever gebruiken en mogelijk pogingen van het ANC om de rassenongelijkheid van het Apartheidsysteem uit te bannen, verlammen. Een verdund kabinet verdunt die mogelijkheid.

Het ANC is ook gevoelig voor beschuldigingen uit de radicale vleugel van zijn partij, nu onder aanvoering van Mandela's ex-vrouw Winnie, dat zijn leiders al te gretig het bed willen delen met de oud-aanhangers van de apartheid om mee te genieten van de zijden lakens van de politieke macht. Een tweepartijencoalitie zou voeding geven aan die beschuldigingen.

Het derde en meest fascinerende argument is: hoe veelomvattender de coalitie, des te authentieker de regering van nationale eenheid. Als de radicale elementen van zowel links als rechts erbij zijn betrokken, zijn de kansen van ontwrichtende aanvallen op het overgangsregime gereduceerd. Volgens mij is het de kracht van dit argument dat de slag in het voordeel van de vijf procent zal winnen.

Hoe zal die regering van nationale eenheid er vermoedelijk uit gaan zien? Dat hang natuurlijk af van wat de kiezers gaan stemmen, en in dit land, waar zwarte mensen nooit eerder hebben gestemd, en waar autoritaire werkgevers en angst inboezemende veiligheidswetten maakten dat de zwarten hun ware politieke denkbeelden verborgen hielden, zijn opiniepeilingen uitermate onbetrouwbaar. En toch is dat het enige waarop we kunnen afgaan in de hachelijke kwestie van politieke speculatie.

Professor Mark Orkin, een deskundige op het gebied van kiezersonderzoek, doet een voorspelling die hij betiteld als: "een recente gefundeerde schatting die ruimte geeft aan voor de hand liggende verschillen in de uitkomst van de stemmen'. Deze verschillen zullen naar verwachting zwaarder wegen voor de zwarten dan voor de blanken, want de zwarten zijn niet gewend te stemmen en duizenden zullen mogelijk nooit de identiteitspapieren ontvangen die hen stemgerechtigd maken. Op deze gronden voorspelt Orkin dat het ANC zestig procent van de stemmen zal krijgen van een electoraat van ongeveer twintig miljoen (de totale bevolking bedraagt 38 miljoen), de Nationale Partij zeventien procent, Het Panafrikaans Congres acht procent, de Konservatieve Partij zes procent, en Inkatha vijf procent. Dat zou betekenen dat in een kabinet van 22 leden - de omvang van het huidige kabinet van De Klerk - het ANC veertien ministers zou krijgen, de Nationale Partij vier, het Panafrikaans congres twee, en de Konservatieve Partij en Inkatha ieder een.

De liberale Democratische partij, die bekendheid geniet door de anti-apartheid campagneleidster Helen Susman, en twaalf andere politieke groeperingen die tot nu toe deel uitmaakten van de constitutionele onderhandelingen, zullen waarschijnlijk geen plaats verwerven in het kabinet.

De Democratische Partij zou wel een afgevaardigde kunnen leveren voor de gekozen grondwetgevende vergadering die de nieuwe grondwet zal ontwerpen en die tijdens dat proces ook een interimregering zal vormen omdat daar de kiesdrempel vermoedelijk slechts tweeëneenhalf procent zal zijn.

Wat opvalt in Orkins voorspelling is de lage uitkomst voor Inkatha. Chief Buthelezi is in de media wijd en zijd bekend, met name in de Verenigde Staten, door zijn aanspraak op het leiderschap van de Zulu's, de grootste zwarte stam in Afrika. Dit heeft ertoe geleid dat hij wordt gezien als een politieke figuur die op één lijn staat met Mandela en De Klerk.

Maar toch laten volgens Orkin de meest betrouwbare opiniepeilingen zien dat Inkatha ongeveer vijfentwintig procent steun heeft onder de Zulu's - beduidend minder dan het ANC - en geen aanhang van betekenis bij de overige Zuid-Afrikanen.

Als dat juist is, is het onwaarschijnlijk dat Buthelezi zelfs in de overwegend door Zulu's bewoonde provincie Natal als een regionale leider uit de verkiezingen tevoorschijn zal komen. Als we dat in nationaal verband bekijken, betekent dit dat Inkatha vermoedelijk drie procent van de totale Afrikaanse stemmen zal winnen en afhankelijk is van groeiende aanhang onder de blanken die een conservatieve tegenhanger zoeken voor het ANC om de vijf procent te halen waarmee een plaats in het coalitiekabinet kan worden veroverd.

Een belangrijke factor van onzekerheid is of de radicale partijen van links en rechts, de Panafrikaanse Partij en de Konservatieven, zullen meewerken aan de verkiezingen of deze zullen boycotten. Hun medewerking aan een coalitiekabinet zou een steun betekenen aan de stabilisering van Zuid-Afrika in een ophanden zijnde moeilijke overgangsperiode.

Maar duidelijk is het belang van verkiezingen op korte termijn, om vast te stellen wie welke rol speelt in deze kluwen, wie echt is en wie veinst, voordat Zuid-Afrika begint met het ontwerpen van een grondwet bestemd voor ... "ons, de mensen' ... Als dat is verwezenlijkt, kan die een plaats bieden aan zovelen als maar mogelijk is, in een stichtend gebaar van nationale verzoening.