Van vóór Astérix tot en met Lubbers

Parijs - Hij komt op een holletje thuis, in zijn stijlvolle apartement dicht bij de Bastille, en excuseert zich voor de vertraging. Ondanks de lange dagen "voor niet-werklozen' is het permanente spitsuur van de hoofdstad nauwelijks doordringbaar. “Dat hebben jullie beter gedaan in Nederland. Geen verstikkende metropool, maar drie steden met een eigen functie, één voor de handel, één voor het bestuur en één voor het intellectuele leven, een unieke oplossing.”

Christophe de Voogd ziet hoffelijk het fileprobleem en de overbelaste spoorwegen in de Randstad over het hoofd, wat niet wil zeggen dat hij behoort tot de geschiedschrijvers die hun buitenlandse onderwerp universeel bejubelen of het slechts oppervlakkig kennen. Het tegendeel is waar. Hij heeft vijf jaar in Nederland gewoond, waar hij als directeur van het Institut Néerlandais in Den Haag de taaie strijd tegen het verval van de "francophonie' in de lage landen voerde. Al doende leerde hij alles en iedereen wel kennen.

De Voogd kan op ieder moment van de dag over Nederland praten, met de voordelen van een kenner, zonder de nadelen van het "erbij horen'. In niets herinnert hij aan "le sang batave', het Nederlandse bloed van zijn grootouders en zijn vader. Maar met zijn achtergrond was hij in een unieke positie om in de net verschenen serie "Nations d'Europe' (uitgeverij Hatier, Parijs 1992), het deel "Histoire de Pays-Bas' voor zijn rekening te nemen.

Voor zover hij weet is het de eerste geschiedschrijving van Nederland in het Frans. De wereld heeft niet voor niets gewacht: dit is er één zonder het keizerlijk chauvinisme dat Nederlanders geneigd zijn van een Fransman te verwachten. Al is het boek gemaakt voor buitenlands gebruik, het is voor binnenlandse ogen allerminst een galerij van open deuren.

De Voogd is twee jaar terug en werkt als kabinetslid van Jack Lang in het hart van het Franse ministerie van onderwijs en cultuur. De verkiezingen over twee weken zullen zijn land naar verwacht een rechtse regering, een hergroepering van links en de nodige economische en politieke schokken bezorgen. De wind zal ongetwijfeld draaien voor politiek benoemde functionarissen. Het belet De Voogd niet Nederland nauwkeurig te blijven volgen en naar waarde te schatten.

Want dat is één van de opvallendste kenmerken van dit vrij beknopte (300 pagina's) boek, dat hij zelf “een combinatie van geschiedschrijving en essay” noemt. De boeken van Schama en Zahn, die hij regelmatig citeert, waren vooral beschouwingen over het Nederlandse volkskarakter, al of niet met aanknopingspunten in een bepaalde periode. De Voogd heeft de ambitieuze taak op zich genomen de geschiedenis van de eerste bronnen, van ruim vòòr Astérix, tot en met het (in de door hem geschetste context toch weer niet zo verrassende) succes van de staatsman Lubbers te beschrijven. En er een verband in aan te duiden.

Met een aangenaam gebrek aan clichés over dominees en koopmannen, zoekt De Voogd naar wat de Nederlanders bindt: “leur histoire collective et leur génie nationale, dat een deel is van gemeenschappelijke Europese erfgoed”.

Voor de goede orde staat hij kort stil bij een aantal buitenlandse beschrijvingen van het land, dat bekender is om zijn geografie dan om zijn geschiedenis. Hij laat zien hoe “deze modderpoel, waar alleen steltlopers en bevers kunnen wonen” (Taine), deze “flegmatieke hel” (Voltaire) uitgroeide tijdens de hoogtijdagen van Nederland Handelsland tot “het warenhuis van het universum” (Diderot).

Handel profiteerde van pragmatisme. Maar tolerantie had altijd een economische achtergrond. En, zo open als het land stond voor import en doorvoer van mensen en goederen, Diderot stelde al vast dat de mensen des te meer waarde hechtten aan uniformiteit. Verschillend zijn en zich ontwikkelen onder de oppervlakte van de eigen groep of soort, de kern van de verzuiling, is al eeuwen een hoofdkenmerk van het leven in de polder.

Maar ook de overtuiging dat eerlijk gedeeld moet worden. De verzorgingsstaat is in De Voogds lezing van de Nederlandse geschiedenis een fundamenteel gegeven, waarvan de wortels veel dieper gaan dan het naoorlogse Engelse voorbeeld of binnenlandse aanzetten ertoe in de jaren tussen de twee Wereldoorlogen. Nederlanders hebben van oudsher een zware belastingdruk en veel publieke bemoeienis geaccepteerd omdat dit volk zich nu eenmaal als collectief doel heeft gesteld “een klein paradijs op aarde te bouwen”, aldus De Voogd.

Charité en solidarité zorgden al in de Gouden Eeuw voor een in Europa ongekende sociale rust. De mogelijkheid van doorstroming naar een brede sociale middenklasse (door De Voogd, bij uitzondering even ernaast, aangeduid als "een brede middenstand') zorgde voor een sterke nationale cohesie. Het is een rechte lijn van daar tot het huidige ministerie van "Santé et Bien-Être'.

Met enige nadruk wijst hij op de "bourgondische renaissance' (van het begin van de vijftiende eeuw tot het midden van de zestiende eeuw) waarin belangrijke tekenen van Nederlandse moderniteit zichtbaar werden. Toen zijn de politieke eenheid gesmeed, de organisatie van het staatsapparaat geperfectioneerd, de economische horizon verbreed en het artistieke leven verruimd op een manier die de Gouden Eeuw verklaart en even bepalend is voor het land dat, ondanks perioden van Spaanse en Franse overheersing, later tevoorschijn is gekomen.

De Voogd herinnert zich met enige verbazing dat zijn Nederlandse grootouders hem nooit over verzuiling hadden verteld. Hij was al drie jaar in Nederland toen hij achter de realiteit van dat essentiële begrip kwam. In zijn boek legt hij het helder uit, maar mondeling gaat hij een stapje verder in het beschrijven van de hardnekkigheid van het verschijnsel, dat nog steeds het dagelijks leven èn de politiek vergaand bepaalt, ondanks alle verklaringen van het tegendeel.

“Het liberalisme, dat in Nederland nota bene in twee partijen (VVD en D66) gestalte heeft gekregen, heeft het land nooit echt geregeerd. D66 is zelfs een echec: vrijwel niets van de oorspronkelijke doelstellingen is na 25 jaar gerealiseerd. Nederland is ongeveer het enige land in Europa zonder referendum. Een man als Van Mierlo zou in Frankrijk een belangrijk minister zijn. Niet in Nederland, waar, net zoals na de oorlog, de socialisten en de confessionelen regeren. Het lijkt of er niets is veranderd. Alleen zijn de socialisten niet de grootste partij. Er is geen kabinet-Drees, maar een kabinet-De Geer.”