STAP VOOR STAP VERNIETIGING

The Path to Genocide. Essays on Launching the Final Solution door Christopher R. Browning 191 blz., Cambridge University Press 1992, f 28,95 ISBN 0 521 42695 2

Perpetrators, Victors, Bystanders. The Jewish Catastrophe 1933-1945 door Raul Hilberg 340 blz., Harper Collins 1992, f 52,25 ISBN 0 06 019035 3

Het aantal publikaties over de moord op de Europese joden gedurende de tweede wereldoorlog is de laatste jaren enorm toegenomen. Over Auschwitz alleen al schijnen er meer dan tienduizend te zijn. En de stroom houdt aan. Het zojuist verschenen Perpetrators, Victims and Bystanders is de jongste studie van de nestor van het onderzoek naar de jodenvervolgingen, de Amerikaanse historicus Raul Hilberg. The Path to Genocide is een bundeling artikelen van de hand van Christopher Browning, eveneens werkzaam in de Verenigde Staten. In dit boek wordt getracht de vraag aller vragen te beantwoorden: wanneer, waarom en door wie werd het besluit genomen de Europese joden op systematische wijze te vernietigen?

Hoewel Hilbergs standaardwerk The Destruction of the European Jews uit 1961 geldt als het begin van de moderne geschiedschrijving over de Shoah, volgde de doorbraak pas in de jaren zeventig. Tot dan toe was het onderzoek eigenlijk beperkt gebleven tot een tamelijk kleine kring van voornamelijk joodse onderzoekers, nu integreerde een nieuwe generatie historici de volkerenmoord geleidelijk in de hoofdstroom van de geschiedeniswetenschap. Ze ontdeden de Shoah van haar metafysische gedaante (gesymboliseerd in de aanduiding Holocaust, brandoffer) en brachten haar terug tot "aardse', historische proporties: een uitzonderlijke misdaad in de moderne geschiedenis van Europa. Het is typerend dat zowel Hilberg als Browning de term Holocaust in titel en inhoud van hun boek vermijden.

De interpretaties en de controverses in de historiografie van de Shoah zijn te groeperen in drie thema's die Hilberg in zijn boek onderscheidt: daders, slachtoffers en omstanders. Zelf is hij het sterkst in de beschrijving van, zoals hij het noemt, de "vernietigingsmachinerie'. De Shoah was geen gecentraliseerde onderneming. Ze werd mogelijk gemaakt door de betrokkenheid van een groot aantal overheidsinstanties, ieder verantwoordelijk voor een specifiek deel van het moordproces. Elke organisatie (Hilberg telt er 27) wasonmisbaar, hoewel de bijdrage aan de massamoord doorgaans slechts een klein deel van de reguliere activiteiten bedroeg. Voor de ene functionaris was ze een extra last; voor de andere was ze een mogelijkheid om macht en aanzien te verwerven. Uit de biografieën door Hilberg en Browning van enkele "gemiddelde' daders (Duitse hoge ambtenaren, doktoren, militairen en industriëlen) blijkt dat deze praktische omstandigheden, vaak meer dan morele overweging, bepaalden of iemand zijn taak routinematig of met grote ijver uitvoerde.

OPERATIE BARBAROSSA

Zolang als historici zich buigen over de Shoah pogen ze het besluitvormingsproces dat eraan voorafging te ontwarren: wie, wanneer en waarom? Het ontbreken van een schriftelijk bevel om de Europese joden te vernietigen (het is nooit gevonden, waarschijnlijk omdat het niet heeft bestaan) heeft aanleiding gegeven tot zeer uiteenlopende gevolgtrekkingen. Een enkele historicus nam zelfs de gelegenheid te baat Adolf Hitler vrij te pleiten van een directe verantwoordelijkheid. Zowel Hilberg als Browning onderstrepen evenwel dat de Führer een cruciale rol speelde in de besluitvorming, maar, zo voegen zij daaraan toe, zijn betrokkenheid was in zekere zin "indirect'. Hitler vaardigde geen bevel uit de joden te vermoorden, maar gaf blijk van zijn instemming met door anderen (Himmler) voorgelegde plannen.

Beide auteurs stellen ook dat er geen sprake is geweest van een vooropgezet idee de joden te vernietigen (zoals de zogeheten "intentionalistische' historici beweren) maar dat de totstandkoming van de Shoah het resultaat was van een reeks besluiten die werden genomen tijdens de voorbereiding en in de eerste maanden van Operatie Barbarossa, de Duitse invasie van de Sovjet-Unie. Browning meent dat juli 1941 het point of no return is geweest. Hitler zou toen het signaal hebben gegeven dat de Duitse gebieden in het oosten in versneld tempo "etnisch gereinigd' dienden te worden. Himmler beantwoordde deze suggestie met de opdracht aan zijn troepen achter de linies de joden in bezet Russisch gebied uit te roeien.

Het tijdstip waarop Berlijn besloot alle Europese joden te vernietigen is evenmin met zekerheid vast te stellen, maar Browning vermoedt dat het tussen half september en half oktober 1941 is geweest. In ieder geval, zo benadrukt hij, werden de cruciale suggesties op het allerhoogste niveau (Hitler) gedaan in een roes van optimisme en euforie. De radicalisering van de Duitse rassenpolitiek hield gelijke tred met de successen op het slagveld. Hilberg deelt deze conclusie niet. Hij karakteriseert de volkerenmoord als een ultieme "afrekening', mogelijk geworden door de oorlog tegen Rusland.

Hoewel Hilberg opmerkt dat de meest treffende karakteristiek van de joodse gemeenschap in de jaren 1933-45 een ""stap voor stap aanpassing'' aan een ""stap voor stap vernietiging'' is geweest, blijkt zijn visie op het gedrag van de joodse bevolking in het aangezicht van de dood, en op dat van haar leiders in het bijzonder, milder dan in zijn vroegere werk. Misschien heeft dit te maken met het feit dat hij in Perpetrators, Victims, Bystanders uitvoeriger heeft gebruik gemaakt van "joodse' bronnen (dagboeken, memoires) dan in The Destruction of the European Jews, dat vooral was gebaseerd op Duits materiaal.

Een ander opmerkelijk, en nog interessanter aspect van Hilbergs nieuwste boek is de raadpleging van, voordien goeddeels gesloten, Oosteuropese archieven. Hoewel de resultaten van zijn onderzoek niet wereldschokkend blijken, moeten deze archieven een schat aan gegevens bevatten - zowel over de vervolging en vernietiging van de Europese joden (die zich immers vooral in het oostelijk deel van het continent voltrokken) als over de houding van de niet-joodse bevolking, over verzet en collaboratie in Oost-Europa. Beide vraagstukken zijn lange tijd taboe geweest, of onderworpen aan strenge ideologische richtlijnen. Maar ook voor het onderzoek naar de Shoah is de ondergang van het communisme een enorme stimulans.