Regiovorming in Rijnmond staat nu voor de echte krachtproef

Op het eerste gezicht verloopt de regiovorming in Rijnmond soepel. Het kabinet besloot begin februari dat het Overlegorgaan Rijnmondgemeenten (OOR) vóór 1996 zal worden losgemaakt van de provincie Zuid-Holland en een zelfstandig regionaal bestuur krijgt. Maar de werkelijke krachtproef voor de zeventien gemeenten van het OOR komt nog: de vaststelling van de machtsverhoudingen tussen het toekomstige regiobestuur en de gemeenten. Rotterdam, dat zal worden opsplitst in 10 kleine gemeenten, dringt aan op een krachtig regiobestuur, maar de buurgemeenten maken zich vooral zorgen over het verlies van de eigen bevoegdheden.

ROTTERDAM, 5 MAART. “It's in the air”, constateert burgemeester A. Peper van Rotterdam in een van zijn vele interviews over de komst van de stadsregio Rotterdam-Rijnmond. Maar het solide front dat Rotterdam en zijn buurgemeenten vormden toen Zuid-Holland nog de gezamenlijke vijand was, vertoont inmiddels haarscheurtjes. “Het lijkt een beetje op het verhaal van de haas en de schildpad”, zegt wethouder C. Zyderveld (gemeentewerken, verkeer) van Schiedam. “Heel het land zegt dat wij in de Rijnmond de voorloper onder de stadsregio's zijn, maar we blijven wel heel lang stilzitten bij globale visies. Daarover kun je geen ruzie krijgen.”

Nu de "strategische visies' en bestuurlijke nota's van het OOR een feit zijn, moet de verhouding tussen de gemeenten en het regiobestuur in detail worden uitgewerkt. Het is eenvoudig om in te stemmen met algemene formules zoals "alles dat lokaal kan, moet lokaal', maar de grens tussen regionaal en lokaal is nog niet vastgesteld. De discussie daarover tussen de Rijnmondgemeenten is nog nauwelijks begonnen, terwijl eind dit jaar al het concept van een "lex specialis' in de Tweede Kamer moet liggen. Tweehonderd wetten moeten daarin worden aangepast om het regiobestuur mogelijk te maken. Omdat alle betrokken gemeenten met de definitieve vormgeving moeten instemmen, kan elke gemeente de stichting van een regiobestuur flink vertragen door dwars te liggen op details.

Het traditionele wantrouwen tegen de kolos Rotterdam lijkt bij de randgemeenten de laatste tijd weer te groeien. Zo schrokken veel bestuurders van een terloopse opmerking van de Rotterdamse havenwethouder R. Smit. Het toekomstige apparaat van het regiobestuur zou hoofdzakelijk met Rotterdamse ambtenaren bevolkt moeten worden, vond de wethouder, omdat die nu eenmaal gewend zijn om op regionale schaal te werken. “Ik hoor van collega's weer vaker dat we te maken hebben met de meest geraffineerde annexatie-operatie ooit ondernomen. Zijn wij dan toch de zeven geitjes en is Rotterdam de boze wolf?”, vraagt Zyderveld zich af.

Zijn gemeente heeft zojuist een kanttekening geplaatst bij de instelling van een gezamenlijk regiofonds. Toekomstige bijdragen van het Gemeentefonds en het Provinciefonds moeten volgens "De Inzet II' - de nota die de grote lijnen van het regiobestuur schetst - in dit fonds gestort worden, waarna de regio het geld niet naar eigen goeddunken maar "volgens objectieve criteria' over de gemeenten verdeelt. Het OOR heeft aldus rijks- en provinciebijdragen voor de gemeenten gebundeld in één geldstroom. Niettemin is er enige beduchtheid voor de financiële "solidariteit' die Rotterdam gezien haar grotere sociale problemen in de toekomst van de rijker bedeelde buren zal verlangen, bijvoorbeeld op het gebied van bijstandsuitkeringen.

Schiedam liet eind februari weten dat Schiedam op het punt van stadsvernieuwingsgelden een directe relatie met het Rijk wil behouden en niet instemt met een regionaal stadsvernieuwingsfonds. Daarmee zou de eerste uitzondering op de gemeenschappelijke geldstroom een feit zijn. Rotterdam heeft in Schiedamse ogen tijdens de discussie over de herverdeling van de stadsvernieuwingsgelden ten onrechte de “oude coalitie” van de vier grote steden gezocht. Dit ging ten koste van de middelgrote gemeente Schiedam, die op het punt van stadsvernieuwing vergelijkbare problemen kent als het aangrenzende Rotterdam-West. “Je kan er niet vanuit gaan dat nu ieder zijn eigen gang gaat en in 1995 plotseling de knop omdraait”, zegt wethouder Zijderveld. “Als we regionaal denken, moet dat ook nu al blijken.”

Er zijn nog veel kleine problemen die de vergaande samenwerking kunnen gaan frustreren. Tijdens de bespreking van "De Inzet II' klonken in verschillende gemeenteraden zorgelijke geluiden over de toekomstige toewijzing van "strategische projecten' (tunnels, hoofdwegen, havenwerken en dergelijke) aan de verschillende gemeenten. Aanvankelijk zou de uitgebreide bestemmingsplanbevoegdheid automatisch naar de regio overgaan wanneer het "strategische projecten' betrof. Het regiobestuur zou ook het laatste woord hebben bij meningsverschillen of een project van regionaal belang was. Nu is besloten dat het regiobestuur slechts een globaal streekplan vaststelt. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal het regiobestuur kunnen beschikken over de veel gedetailleerdere bestemmingsplanbevoegdheid.

Berkel en Rodenrijs kan met dit nieuwe evenwicht instemmen, zij het dat de gemeenteraad in een amendement nog eens benadrukte dat ze altijd haar bestemmingsplanbevoegdheid wil blijven behouden. Ook een gemeente als Barendrecht benadrukt dat de streekplannen van de regio “niet al te gedetailleerd moeten zijn, zodat we niet in een keurslijf worden gedwongen”, aldus een woordvoerder. “Neem bijvoorbeeld de volkshuisvesting. Als de regio zegt: zoveel huizen en inwoners moeten erbij, willen we wel onze stedebouwkundige traditie blijven voortzetten en niet tot hoogbouw gedwongen worden.”

Van de weeromstuit klinkt in de Rotterdamse gemeenteraad enige onvrede over de vele obstakels, voorbehouden en amendementen die de buurgemeenten opwerpen. Niet zelden wordt - enigzins verongelijkt - gewezen op het grote offer dat Rotterdam brengt door zichzelf in tien gemeenten op te splitsen. Toen degemeenteraad eind februari instemde met "De Inzet II', klaagden de fracties over het "geknabbel' aan de bevoegdheden van het toekomstig regiobestuur en de neiging van de gemeenten alles naar zich toe te trekken.

H. Meijer, woordvoerder van Groen Links, sprak namens de hele raad toen hij de vrees uitte dat het toekomstige regiobestuur op die manier gewoon een traditionele provincie wordt, en dan ook nog een kleintje. PvdA-woordvoerder S. de Vries stelde ietwat provocerend dat de regio niet Rotterdam-Rijnmond (de werknaam) of Rijndelta (burgemeester Peper) moest gaan heten, maar gewoon de naam Rotterdam moet blijven dragen.

Secretaris dr. A.H. Flierman van het OOR ontkent niet dat er een groot aantal complexe onderhandelingen in het verschiet ligt. Zijn kantoor is gevestigd in een zijvleugel van het Rotterdamse gemeentehuis, waar de staf van het OOR een gang deelt. De huidige situatie is volgens Flierman des te ingewikkelder “omdat er een groot aantal spelers op het bord staat, maar de stadsregio zelf nog geen speler is.” Het OOR is nu nog een overlegorgaan zonder bijzondere bevoegdheden.

De stem van Rotterdam weegt zwaar in de regiovorming, benadrukt Flierman. “Er zijn zeventien gemeenten, als Bleiswijk toetreedt achttien. Als er één of twee afhaken, is dat heel vervelend. Maar er is één gemeente die beslist niet uit de boot kan vallen.” Het opsplitsen van Rotterdam in tien gemeenten heeft zijn inziens bij de randgemeenten “een enorme psychologische barrière geslecht”. “Maar daarmee onstaat wel de verplichting de vrijkomende taken en bevoegdheden op regionaal niveau te leggen.”

De machtsverhoudingen in de regio vormen overigens niet het enige probleem waarmee de Rijnmond te maken krijgt. Veertigduizend ambtenaren moeten een plaats zoeken achter nieuwe bureaus, terwijl hun aantal bij voorkeur ook nog moet worden verminderd. Bestaande samenwerkingsverbanden en functionele regio's moeten worden geïntegreerd in de regio. Rotterdam wordt opgesplitst, waarbij onduidelijk is welke gemeentelijke diensten meesplitsen en welke als geheel onder de nieuwe regio gaan vallen. En krijgt de regio een gekozen voorzitter of een benoemde commissaris van de koningin?

Verder zijn de burgers van de zeventien Rijnmondgemeenten nog zeer slecht op de hoogte van de ontwikkelingen. Er is enige beduchtheid voor met name de emoties die het verdwijnen van de stad Rotterdam zal losmaken. Want wat gebeurt er als het tot de Rotterdammers doordringt dat ze binnenkort burgers van Delfshaven of Alexander zijn, en in tweede instantie inwoners van "Rijndelta'? De afdeling voorlichting van het OOR hoopt via een huis-aan-huiskrant de bevolking op te voeden tot het juiste "regiogevoel'.

Psychologie speelt bij de operatie een vitale rol, vindt Flierman. “Gaat de zaak slepen, dan zakt het als een pudding in elkaar. Dat is een natuurwet.” Zo is het ook voor de hele regio van belang of het centrum van Rotterdam onder het regiobestuur valt (zoals het Rotterdamse college van B en W wil) of aansluiting krijgt bij de bestaande deelgemeenten (zoals de Rotterdamse raad wil). Flierman: “Het centrum kent een concentratie van regionale functies, is als het ware van iedereen, dus zou het geen aparte gemeente moeten zijn maar direct onder de regio moeten vallen. Maar ik ben ook al gewaarschuwd voor het psychologische effect daarvan op de randgemeenten. Daar krijgt men dan weer het idee dat Rotterdam blijft voortbestaan onder een nieuwe naam.”