NIETS OM AAN TE TREKKEN

“Ik heb altijd al truien gedragen. Dat heeft mede te maken, afgezien van het feit dat een trui iets voor me doet - een pak staat me trouwens ook wel goed - dat ik meestal een hele hoop spullen bij me heb.

Zonnebrillen en gewone brillen, en allerlei papieren. Ik heb altijd een tas gedragen, ik was de eerste tassedrager in Nederland. In pakken kan je die boel niet kwijt. Een pak is heel onfunctioneel, want eigenlijk mag je in de zakken van een pak niets doen. Toen ik die tas begon te dragen, had ik ook meteen geen jasjes meer nodig.

Een trui doet echt iets voor me, met dat vreemde gezicht dat ik heb. Zo'n trui is aangenaam en het zit ook lekker, lekker warm. Ik ben een kouwelijk iemand; altijd dikke truien aan, 's zomers ook. Katoenen truien. Een trui is een aangenaam iets. Bij praktisch alle gelegenheden draag ik een trui, alleen niet onder mijn smoking. Vroeger brachten mijn ouders van hun reizen de prachtigste truien voor mij mee. Voor mijn broer en zuster de prachtigste boeken en gewone oppervlakkige kleren.

In principe ben ik altijd in het zwart. Dat is niet echt helemaal waar, maar eigenlijk is dat waar. Ik heb alles zwart: broeken, truien, sokken, schoenen. Makkelijk, kan je altijd alles bij elkaar dragen.

Ondanks dat ik het gauw koud heb, heb ik zestig jaar lang met een kaal hoofd gelopen. Omdat een hoed in Nederland altijd afwaait, heb ik op een gegeven ogenblik een alpino gekocht en ben daaraan verslaafd geraakt. Ik heb er drie, maar ze krimpen en dan koop ik weer een nieuwe alpino. Eigenlijk moet je ze een maat te groot kopen en er eerst mee onder de douche gaan.

Het grote model, het schildersmodel, vind ik heel mooi, maar daar zie ik er achterlijk in uit. Dus ik heb gewoon een gewone alpino, want een alpino is natuurlijk een ontzettend mooi klassiek kledingstuk.''