Kamerlid Doelman-Pel (CDA) verfoeit als generalist het onvermijdelijke detaillisme in de politiek; "In Den Haag wordt niet alleen maar geneuzeld'

Wordt de Tweede Kamer bevolkt door specialisten, ambtenaren en werkbijen? Wie naar de nieuwe politieke bewegingen en andere critici van het politieke bedrijf luistert zou het bijna gaan denken. Vanaf vandaag dienen meer en minder bekende generalisten hun critici van repliek en schetsen tevens enkele politieke hoofdlijnen. Als eerste: A. Doelman-Pel van het CDA.

DEN HAAG, 6 MAART. “Er heerst een beeld van een politiek waarin alles fout gaat, vroeger alles beter was en alleen maar geneuzeld wordt. Ik kan niet zoveel met die kritiek. Er kunnen best dingen beter, maar daar zijn we hard mee bezig. De commissie-Deetman doet voorstellen voor staatkundige hervorming. Het reglement van orde wordt straks zo gewijzigd dat hoofdlijnen en details niet meer zo gemakkelijk door elkaar kunnen worden gehaald.”

Aan het woord is mevrouw A. Doelman-Pel, lid van het fractieleiding van het CDA en deel uitmakend van het bestuur (het "presidium') van de Tweede Kamer. Voor wie dacht met een politica te maken te hebben wiens bestaan aan het Binnenhof wordt gekenmerkt door anonimiteit en conflictvermijding is het even schrikken. Zelf de publiciteit zoeken met opzienbarende uitspraken doet ze niet zo snel. Maar wie naar haar opvattingen vraagt kan op stevige opinies rekenen.

Als secretaris van de fractie en lid van het presidium wordt ze met enig ontzag benaderd. Streng doch rechtvaardig leidt ze vergaderingen als voorzitter Deetman afwezig is. Als fractiesecretaris van het CDA en portefeuillehoudster sociale zaken, emancipatie en ouderenbeleid vormt ze een machtige spil in het grote gezelschap van 54 leden. Voordat Doelman-Pel, afkomstig uit de ARP, in 1986 in de Tweede Kamer kwam behandelde ze als wethouder in Hoogezand en lid van de Provinciale Staten van Groningen soortgelijke onderwerpen .

Dat het de Tweede Kamer menens is met veranderingen in de organisatie van het politieke bedrijf bewees volgens haar twee weken geleden een van de sub-commissies van de commissie-Deetman. De commissie-De Jong stelde voor zo'n beetje alle adviesraden van de regering af te schaffen. Tevens zou de volksvertegenwoordiging krachtiger moeten gaan optreden door zelf het recht te krijgen om advies te vragen.

Ook in de eigen organisatie van de Tweede Kamer gaat het nodige veranderen, kondigt Doelman-Pel aan. “Nu worden details vaak vermengd met het totale verhaal en wordt het vreselijk detaillistisch. De Kamervergaderingen die ik voorzit vind ik nogal eens saai, hoewel dat ook vaak met het onderwerp samenhangt. De voorstellen voor het nieuwe reglement van orde voorzien in een apart overleg over wetgeving. Daardoor komt er in de plenaire vergadering meer ruimte voor het debat op hoofdlijnen en voor overwegingen waarom een fractie voor of tegen een bepaalde wet stemt.”

Verkleining van het aantal parlementariërs zodat het resterend aantal gedwongen wordt zich met meer onderwerpen en minder details te gaan bezighouden, heeft niet de voorkeur van Doelman-Pel. Specialisten blijven volgens haar nodig, gezien de complexiteit van de materie en de zorgvuldigheid waarmee wetgeving dient te geschieden. Het gedrag van de kleine fracties in de Tweede Kamer sterkt haar in die mening. “Die hebben vaak weinig tijd om deel te nemen aan het schriftelijk vooroverleg zodat men "wakker wordt' bij de wetsbehandeling in de Kamer. Ze gebruiken dan bij wijze van inhaalslag meer tijd dan de andere fracties.”

Toch wringt er iets. Verlevendiging van het politieke bedrijf is niet alleen maar een zaak van andere organisatie, maar ook van politici die hun nek durven uit te steken met brede, generalistische observaties. Zoals Hans Hillen bijvoorbeeld. Dat CDA-Kamerlid haalt regelmatig de pers met uitspraken over individualisering en emancipatie. Groeiende kritiek van vrouwenorganisaties, ook die binnen zijn eigen partij kan hem niet ontmoedigen. Als man moet hij zich over zulke onderwerpen kunnen uitspreken, vindt hij.

“Zo'n discussie is voor een tijdje aardig”, vindt Doelman-Pel, “maar mag er uiteindelijk niet toe leiden dat er onduidelijkheid ontstaat over het standpunt van de partij”. Dat is in haar ogen nu gebeurd. Hillen roept “teveel het beeld op van vrouwen die het veel leuker zouden vinden om thuis te zijn, voor de kinderen te zorgen en vieze luiers in de wasmachine te doen dan bij de Hema te staan en zakjes te pakken. Dat is naar mijn mening een foute observatie. Sommige mensen vinden dat laatste juist heerlijk, al was het alleen al omdat het ze gemakkelijker maakt om hun gezinstaken uit te voeren.”

De uitlating van Hillen over kinderopvang (“staatsopvoeding”), het gebied waarop Doelman-Pel eerste woordvoerster is, vertegenwoordigt volgens haar niet helemaal de mening van de fractie. Die streeft ook naar uitbreiding van kinderopvang om de deelname van vrouwen aan het arbeidsproces te vergroten.

Doelman-Pel heeft vermeden om hard tegen Hillen in te gaan, “hoewel ik dat nu toch een beetje doe”, verzucht ze. Zulke confrontaties vergroten volgens haar de onduidelijkheid. Beter ware het geweest als Hillen zich had gehouden aan “een gentlemans-agreement in de fractie dat leden niet actief in de publiciteit treden op terreinen die ze zelf niet behandelen in de Kamer. Je kunt zeggen dat Hillen zich niet aan die afspraak heeft gehouden.”

Zulke afspraken maken echter dat generalisten een uitstervende soort worden. Een algemener, ideologisch gekleurd verhaal vormt in zulke gevallen alleen nog het privilege van de fractie-voorzitter. Volgens Doelman-Pel valt het in de praktijk allemaal wel mee. “Als ik in Groningen een spreekbeurt heb, en men vraagt mij een politieke rondblik, dan geef ik die op hoofdlijnen.” Helemaal bevredigend is de gang van zaken echter niet, zo laat ook zij doorschemeren. De fractiesecretaris sluit niet uit dat “door het optreden van de heer Hillen de discussie loskomt wie over welk beleidsterrein iets mag zeggen.”

Het uiteindelijk resultaat mag namelijk niet zijn dat de discussie over de individualisering niet meer gevoerd wordt, vindt Doelman-Pel. Daarvoor zal die de komende jaren nog teveel de politiek blijven beheersen. “In verkiezingsslogans laat die zich niet zo gemakkelijk vangen. Maar ik zou wel een mooie verkiezingsfolder weten. "Kansen voor mensen' zou erop moeten staan. Dat betekent in de eerste plaats werkgelegenheid voor mannen èn vrouwen. Daaraan vast zitten: kansen voor wit en zwart, ook voor vrouwen van minderheden, al zal dat laatste moeilijk zijn.”

Als het om de rechten van het individu gaat hebben in het verleden CDA en D66 lijnrecht tegnmover elkaar gestaan. De grootste obstakels op dit gebied, de euthanasie en de wet op de gelijke behandeling, mogen dan uit de weg zijn geruimd, het betekent nog steeds niet dat de reserves van het CDA tegenover de grootste groeier in de verkiezingspolls zijn afgenomen, meent Doelman-Pel. De constante kritiek van D66 op de Nederlandse compromissenpolitiek die zou worden belichaamd door het CDA, schiet bij haar in het verkeerde keelgat. “Een compromis hoeft niet vies te zijn, dat moet je durven verdedigen. Ook D66 zal ervaren dat je in Nederland met meerdere partijen moet regeren.”

Bovendien maakt D66 volgens Doelman-Pel het eigen streven naar helderheid niet waar. “Ook in de fractie van D66 zitten mensen die eindeloos lang over bepaalde dingen kunnen doorgaan. Ze zouden zelf het voorbeeld kunnen geven door op hoofdlijnen te debatteren, maar dat doen ze niet. Ze zijn in feite deel van het systeem geworden en verschillen in hun optreden niet van de andere partijen.”