In Eisenhüttenstadt is de staalgigant nu een dreumes

Duitse staalarbeiders lopen te hoop tegen 40.000 dreigende ontslagen. De angst is tastbaar in Eisenhüttenstadt, een DDR-erfenis die door de tijd is ingehaald.

EISENHÜTTENSTADT, 6 MAART. Een gestencild velletje hangt aan de gesloten deuren van het Friedrich-Wolf-Theater, een vierkant crèmekleurig bouwsel met enige suggestie van neoklassiek, vernoemd naar de uit West-Duitsland afkomstige arts-dramaturg wiens zoon Markus jarenlang chef van de spionage van de DDR was. “Eisenhüttenstadt moet leven. Daarom: Laat het vuur niet doven!”

De aankondiging belooft actie. Over een paar dagen zal er “voor onbeperkte tijd” een Mahnwache worden ingericht. Want wat nog resteert van Eko-Stahl, het hoogoven- en staalbedrijf van de stad, de kurk waarop stad en streek drijven, móét behouden blijven. Ondanks alle verhalen over staalcrisis. Heeft de nieuwe minister van economische zaken, Günter Rexrodt (FDP), niet net gezegd dat hij voor Eko, vooral op Oosteuropese markten, wel overlevingskansen ziet?

De straat is aangelegd volgens socialistische planidealen van de jaren vijftig en zestig: wegdek èn stoepen zijn veel te breed. Maar wat op de Düsseldorfse Königsallee en de Rotterdamse Coolsingel later gebeurde om de ruimte te breken - bloembakken, terrasjes en winkeltjes op de stoep - is hier niet gebeurd. Een ijskoude wind blaast ongehinderd over honderd meter breedte, tussen galerijen identieke Plattenbau-blokken door. Het is tegen één uur 's middags. Mensen zijn er niet of nauwelijks te zien. “U wilt naar het stadhuis”, wijst een oudere man me naar verderop. “Over Eko praten? Ach, jullie Wessi's willen ons toch alleen maar belazeren.”

Het wantrouwen jegens West-Duitsland - Westduitse staalbaronnen, de financiële voogdij van het onpopulaire Treuhand-instituut, de politiek van Bonn - is hier groot. Dat is zeker zo nu de internationale staalcrisis Eko meer dan ooit tot een overlevingsgevecht dwingt, terwijl de staalreuzen uit het Roergebied er nauwelijks een geheim van maken dat deze Oostduitse concurrent best mag verdwijnen. Het bedrijf verloor door onafgebroken afslanking in vier jaar al 8.500 van zijn 12.000 werknemers en is met een meer dan gehalveerde jaarproduktie (nu ruim een miljoen ton) verhoudingsgewijs een dreumes.

Vorig najaar trok Krupp zich na twee jaar onderhandelen alsnog terug als potentiële koper wegens de naderende staalcrisis - en ook omdat het meer Treuhand- en overheidssubsidies wilde hebben dan met EG-regels verenigbaar bleek. De Italiaanse Riva-groep had belangstelling, haar managers zijn vorig jaar voor inspectie en onderhandelingen langs geweest, maar sindsdien is het ook in die hoek stil geworden.

Iedereen in Duitsland praat plotseling over de grote staalcrisis die is losgebarsten. Met een produktie van 40 miljoen ton (1992), en capaciteit voor 50 miljoen, heeft het land de grootste staalindustrie van Europa. Die is vooral in het nu zo demonstrerende en angstige Roergebied geconcentreerd.

Pag.14: Als de ijzige conjunctuur weer wat aantrekt, zullen de kopers komen; Enorme investering in Eko-Stahl rust op politieke basis

Het gesprek van de dag gaat over de plotselinge problemen dáár, na de boom die de Duitse eenwording er nog in de jaren '90, '91 en de eerste helft van '92 bracht. De media rapporteren over de overcapaciteit bij de Thyssens, Krupps, Preussags, Mannesmannen, Klöckners, over de staatssubsidies in Zuid-Europa, de moordende prijzenoorlog, de ingezakte nationale conjunctuur (Mercedes en Volkwagen draaien op 50 procent), Amerikaanse importbeperkingen, Oosteuropese dumping, de dreiging van omstreeks 40.000 ontslagen in het staal, en misschien nog iets meer in de kolen. Een enkeling constateert daarbij ook dat er tegenwoordig minder oorlogsschepen, kanonnen en tanks nodig zijn.

Alleen het gebruik van de woorden Kumpel en Solidariteit kent bij zoveel tegenwind nog hoogconjunctuur. Die nadruk op kameraadschap zal geen baan behouden, maar de woorden compenseren wat van de "radeloosheid' die inmiddels zelfs Franz - "zonnekoning' - Steinkühler, chef IG Metall, de grootste Europese vakbond, heeft bevangen. Zo constateerde de Süddeutsche Zeitung tenminste, en zij niet alleen. Dat een nieuwe saneringsronde in de staalindustrie noodzakelijk is, ontkent eigenlijk niemand. De verwijten over goedkope Oosteuropese import lijken daarom wat overdreven, zeker omdat het aandeel hiervan in de Europese invoer slechts enkele procenten bedraagt. En ook de kritiek op de steun waarmee sommige andere EG-lidstaten hun staalindustrie op de been houden heeft een wat halfhartig karakter. Van subsidies is de Bondsrepubliek zelf ook niet afkerig geweest, gegeven de omvang van zijn eigen uitgaven om de kolenmijnen open te houden. In de EG klaagt Duitsland als Montan-partner dan ook slechts behoedzaam over landen als Italië, dat op een jaarproduktie van 25 miljoen ton staal liefst driemaal meer subsidie geeft. Bovendien, was het niet enigszins bedoeling aan internationale taakverdeling te doen, zodat jonge Oosteuropese democratieën, Tsjechië en Polen voorop, wat meer van hun "natuurlijke' voordelen kunnen profiteren, ook al bestaan die voor een belangrijk deel uit (nog) zeer lage lonen?

Vast staat inmiddels dat de Duitse staalindustrie in het kader van hernieuwde vrijwillige EG-beperkingen terugmoet naar een capaciteit van 35 miljoen ton. Dat treft vooral de Ruhr-Kumpel in Noordrijn-Westfalen (18 miljoen inwoners), waar het zwaartepunt van de Duitse steenkool- en staalproduktie ligt. Al is na twintig jaar herstructureren, richting milieu-industrie, handel en dienstverlening, nog maar één op tien werknemers in het Roergebied afhankelijk van de sector kolen en staal.

Van de 600.000 kolen- en staalarbeiders die de Bondsrepubliek 25 jaar geleden telde, zijn er in het verenigde Duitsland 240.000 over, van wie zo'n 180.000 in de staalsector. Dat aantal met nog eens vele tienduizenden verminderen is niet niks.

Maar wie wil zien waar het in Duitsland - en niet alleen in de staal - werkelijk heel erg is, gaat naar de vroegere DDR. Van de circa 80.000 metaalarbeiders in 1988 resteren er nog 14.500, vaak slechts dank zij werkverschaffingsgeld (ABM) of Treuhand-subsidies. Door hogere eisen van kwaliteit, een dure D-mark en gebrek aan deviezen in Oost-Europa heeft Eko-Stahls vroeger vanzelfsprekende export richting oosten een grote klap gehad, ook al gaat 35 procent van de produktie nog wel naar het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). Wie, zoals ik, naar Eisenhüttenstadt rijdt vanuit Dresden, moet - toegegeven: er ligt sneeuw - vaststellen dat hij via de Autobahn naar Berlijn en vervolgens via Lubbenau, Lübben en Beeskow wel drie uur nodig heeft om er te komen. De wegen in de wijde omgeving van het staalstadje zijn smal en bochtig, alleen de autoweg naar het noorden, naar Frankfurt aan de Oder, is breder maar permanent overbelast. Het idee dat het hier binnen de EG toch betrekkelijk om een uithoek gaat, raakt zo wel bevestigd.

Eisenhüttenstadt, dat in 1951 mocht of moest beginnen als Stalinstad, is een schoolvoorbeeld van een geplande monostructuur. De 50.000 inwoners hebben naar DDR-begrippen altijd goed geleefd van Eko-Stahl en de centrumfunctie die hun stad in het Oostduitse Stahlkombinat had. Ruim honderd kilometer van Berlijn, aan het Oder-Spree-kanaal en de Poolse grens, even ten noorden van Wilhelm Pieckstadt-Guben, dat nu weer alleen Guben heet.

Het blijft in de Duitse recente geschiedenis een typisch verschijnsel, dit soort ideologisch bepaalde industrie-planning. Zo stichtten de naar autarkie strevende nazi's in 1936 in en rond Halle nu zeer noodlijdende chemieconcerns als Buna en Leuna, die bij voorbeeld langs een dure omweg rubber maakten om de Wehrmacht onder meer aan banden te helpen. En zo werd Eisenhüttenstadt door de Sovjet-Unie en DDR-bondgenoot Walter Ulbricht in 1951 bewust uit de grond gestampt om de Duitse boeren- en arbeidersstaat van een eigen staalindustrie te voorzien. In een tijd dus waarin nationale kracht mede werd gemeten aan de aanwezigheid en potentie van een eigen kolen- en staalindustrie.

Hoe dat zij, Eisenhüttenstadt lag gunstig: met goedkope Poolse kolen in de buurt (aan de andere kant van de geproclameerde "vredesgrens') en zo dicht mogelijk bij de halffabrikaten die uit de Sovjet-Unie moesten komen. Want Moskou mocht dan vinden dat haar meest westelijke Comecon-partner als socialistische staat een eigen staalindustrie moest hebben, warmwalscapaciteit om van ruw staal eindprodukten te maken - aanwezig in elk compleet staalbedrijf - zat er niet in. Toen de DDR op ideologische afstand van Gorbatsjovs Moskou begon te raken, midden jaren tachtig, was zoiets te duur geworden om in eigen beheer te financieren. Daarin zit vandaag nog een probleem.

De stad, die in de loop der jaren het uit de twaalfde eeuw stammende Fürstenberg opslokte en daardoor tussen haar Plattenbauformaties een mooi oud plaatsje herbergt, is nu een Oostduitse "industriële kern'. Die term, vorig jaar bedacht door kanselier Helmut Kohl, wil eigenlijk zeggen dat politiek besloten is een produktieplaats (afgeslankt) te handhaven hoewel zoiets in feite economisch nauwelijks kan.

In 1988 werkten bij Eko-Stahl 12.000 mensen aan een jaarproduktie van 2,2 miljoen ton, nu produceren nog zo'n 3.500 werknemers onder beheer van het Berlijnse Treuhand-instituut iets meer dan 1 miljoen ton staal, met een verlies van ruim 100 miljoen mark. Tot grote woede van de Westduitse concurrentie is het Eko vorig jaar zelfs gelukt zo'n 21.000 ton scherp geprijsd staal aan de Duitse auto-industrie te verkopen. De 35 procent van de omzet die naar de GOS-landen gaat wordt via een nog van vroeger bekend barter-systeem afgewikkeld: Eko krijgt als tegenprestatie grondstoffen en halffabrikaten die het zelf kan verwerken. Een rondrit over het immense, door de Sovjet-Unie ingerichte terrein, langs oude Russische hoogovens en de in 1984 geïnstalleerde staalconverter-installatie, langs hier en daar lege en vervallen hallen en barakken, geeft soms een spookachtig beeld. Contrast: direct naast de toegangspoort is een modern farmaceutisch bedrijf neergestreken, met grote nieuwe witte hallen. Dat is nog maar het begin. Op het terrein van Eko, zo wil de planning, moet een serie bedrijven en bedrijfjes komen die werk bieden aan de al "losgekoppelde' staalarbeiders. Zo'n ontwikkeling zou de stad ook aan een middenstand kunnen helpen die zij tot nu toe in haar staal-monostructuur niet of nauwelijks kende.

Bij het geplande Industriepark Oderbrüche GmbH moeten ook Poolse steden in de omgeving worden betrokken. Burgemeester Rainer Werner, een 35-jarige SPD'er, praat er enthousiast en optimistisch over. Hij ontkent niet dat de lagere Poolse lonen mede een factor zijn voor het beoogde grensoverschrijdende karakter. Over de financiering van dit project kan hij niet meer zeggen dan dat daarover nog niet is beslist, en dat Eisenhüttenstadt zelf het niet kan. “In elk geval moeten de investeringen nu snel komen”, zegt hij.

Optimistisch blijken ook directie-secretaris Reinhard Behrendt, een 37-jarige ingenieur machinebouw, die al twintig jaar bij Eko werkt, en zijn assistente Ramona Illgen (30), vroeger voorlichtster bij een DDR-staalbedrijf in Riesa. Dat de overneming door Krupp-Hoesch vorig najaar is afgesprongen, hoeft voor Eko in de bestaande situatie niet nadelig te zijn. Integendeel, al voor de deal met Krupp was afgeketst, had Eko een eigen concept voor een klein maar geheel geïntegreerd hoogoven- en staalbedrijf ontwikkeld. Dat heeft intussen de zegen van de Treuhand en de regering van de deelstaat Brandenburg gekregen. Kosten: 1,1 miljard mark. Eerste operatie: modernisering van de oude Russische koudwalsinstallaties voor een begroot bedrag van 210 miljoen mark.

Voorts is een Amerikaanse leverancier gevonden het technologische gat te dichten tussen staalproduktie en die koudwalsinstallaties. De aankoop van het ontbrekende warmwalsprocédé, dat Eko eertijds nooit beschikbaar had, is nu mogelijk in de VS, à 750 miljoen mark. Als dat concept eenmaal functioneert, zeg over een jaar, is de sanering gelukt en is in Eisenhüttenstadt een redelijk modern bedrijf ontstaan, klein en daardoor flexibel en onverminderd gunstig gelegen voor de Oosteuropese markt.

Dan, als de ijzige conjunctuur ook weer wat is aangetrokken, zo gelooft de directie met minister Rexrodt, zullen de kopers komen. Misschien komen dan ook de gewiekste Italiaanse onderhandelaars van de Riva-groep terug. Als dat zo is, heeft de Duitse belastingbetaler straks een smakelijk hapje gefinancierd voor de nieuwe Italiaanse eigenaars: een complete gemoderniseerde mini-staalfabriek met een produktiecapaciteit van een miljoen ton en een tot 3.000 man afgeslankte bezetting.

De enorme investeringsbedragen, die vooral moeten komen van Treuhand en deelstaatregering, wijzen erop dat dit grote saneringsproject op een politieke basis rust, niet echt op een economische. Want als kanselier Kohl de vroegere staaltrots van de DDR niet als te behouden "industriële kern' had aangemerkt, zou Eko al dicht zijn geweest. Dan had ook voor dit bedrijf gegolden wat Krupp-chef Gerhard Cromme onlangs tegen Der Spiegel zei: “Wie huis en hof heeft verspeeld, verdient geen subsidie meer.” De rekening is trouwens in Eisenhüttenstadt nog niet helemaal opgemaakt. Want er woedt, zoals ook elders in Oost-Duitsland, een groot CAO-conflict dat nog verstrekkende betekenis kan krijgen. Volgens een afspraak uit 1991 zouden de lonen per 1 april aanstaande met 26 procent moeten worden verhoogd, als tussenstap naar gelijke basisbeloning in Oost- en West-Duitsland per 1995. De metaalwerkgevers vinden zo'n verhoging onder de huidige omstandigheden niet meer mogelijk: zij hebben de CAO opgezegd en 9 procent extra beloofd. De regering in Bonn maakt er geen geheim van dat zij veel begrip heeft voor deze unieke stap van de werkgevers. Wie even aan de Treuhand-rol denkt, hoeft zich daarover niet te verbazen.

Het gaat hard tegen hard. Na alle kaalslag-ellende van de afgelopen jaren zijn de Oostduitse metaalarbeiders niet van plan nu met minder dan de beloofde 26 procent genoegen te nemen. Realistisch zijn de vergelijkingen tussen de Oost- en Westduitse metaalinkomens in hun ogen toch al niet, zelfs niet na de afgesproken gelijktrekking in 1995. Want ook dan nog blijven de Westduitse vergoedingen voor overwerk en/of weekeinddienst en het vakantiegeld veel ruimer.

Vertogen dat zo'n loonsprong onverbiddelijk meer banen zal kosten, hebben op zijn best theoretische waarde. De prijzen in de winkels zijn immers dezelfde als in West-Duitsland, en de lage Oostduitse huren zijn per 1 januari jongstleden in de hele vroegere DDR drastisch omhoog gegaan. Bovendien: bij tussentijdse arbitragepogingen hebben de werkgevers laten weten dat zij, ook als hun aanbod van 9 procent wordt aanvaard, toch géén arbeidsplaatsgaranties kunnen geven.

De IG Metall, die in twee jaar tijd een kwart (250.000) van haar Oostduitse leden zag vertrekken, heeft geen andere keus dan haar achterban steunen. De metaalwerkgevers zeggen uit hun hoofdkantoren in Essen, Dortmund en Duisburg van hun kant dat zij het desnoods op stakingen laten aankomen.

IG Metall-voorzitter Steinkühler heeft het nog niet hardop gezegd, maar hier en daar komt het vermoeden op dat de Westduitse "staalchefs' erop spelen dat grote stakingsgolven in Oost-Duitsland er voor een welkome verdere sanering kunnen zorgen. De Duitse eenheid is wel mooi, maar zaken blijven zaken.