HOE DE KERK ONDERDAK BOOD AAN DE NATUURWETENSCHAP

The Beginnings of Western Science. The European Scientific Tradition in Philosophical, Religious, and Institutional context, 600 B.C. to A.D. 1450 door David C. Lindberg 455 blz., gell., The University of Chicago Press 1992, f 49,75 ISBN 0 226 48231 6

Waren de middeleeuwen, natuurwetenschappelijk gesproken, een sta in de weg? Had Voltaire gelijk toen hij in dit verband sprak van ""totale decadentie' en de middeleeuwse geest als ""geslepen, onnozel, brutaal en listig' karakteriseerde? Was de triomf van het christendom inderdaad het signaal voor ""algeheel verval' binnen de filosofie en de natuurwetenschappen?

Jacob Burckhardt (1818-97), Zwitsers historicus en "uitvinder' van de term renaissance, meende van wel. In zijn visie begint de ontwikkeling van de westerse natuurwetenschap bij de oude Grieken, om via de Italiaanse renaissance uit te komen bij de grote omwenteling van de zestiende en zeventiende eeuw. De middeleeuwen, zo meende hij, konden rustig worden overgeslagen.

Hoe anders oordeelde de Franse fysicus en filosoof Pierre Duhem (1861-1916). Uitvoerig bronnenonderzoek leerde hem dat ""de mechanica en natuurkunde zich ononderbroken vanuit hun middeleeuwse universitaire posities hebben ontwikkeld'. Van een diskwalificatie van de scholastiek wilde Duhem dan ook niet weten. In het samenspel van christelijke theologie en scholastische wetenschapsbeoefening zag hij juist de kiem van de ontwikkeling tot de moderne natuurwetenschap.

Aan het slot van zijn boek The Beginnings of Western Science ontvouwt David C. Lindberg, een autoriteit op het gebied van de middeleeuwse wetenschapsgeschiedenis, zijn positie in dit (nog altijd voortdurende) "continuteitsdebat'. Burckhardt wordt gecorrigeerd: op het gebied van afzonderlijke wetenschapsgebieden als optica, kinematica en astronomie, concludeert Lindberg, bouwden respectievelijk Kepler, Galilei en Copernicus aantoonbaar voort op het werk van hun middeleeuwse voorgangers.

Maar als het gaat om methodologie en wereldbeeld was er volgens de Amerikaan wel degelijk een kloof. Moderne hypotheses vervingen de vanzelfsprekendheden zoals die door Aristoteles (en de Kerk) waren voorgeschreven, experimenteel onderzoek kwam in plaats van logische deductie, er volgde een verregaande mathematisering en de organische wereld vol "doeloorzaken' werd verruild voor een strikt mechanistische, gevuld met dode materie.

ONDERSCHATTE ISLAMIETEN

""Als wij willen begrijpen wat het betekent om in een wereld van moderne wetenschap te leven', concludeert Lindberg, ""dan kunnen wij het ons eenvoudig niet veroorloven onwetend te blijven van de weg die ons er heen voerde.' Eerder heeft hij met veel kennis van zaken en toewijding de niet-specialist die weg getoond. Via de magisch denkende Babyloniërs en Egyptenaren, langs de rationele Grieken en Hellenisten, voorbij de utilitaire Romeinen en na de onderschatte islamieten bereikt Lindberg zijn thuis: de "donkere' middeleeuwen. Steeds beschouwt hij de ontwikkeling van het natuurwetenschappelijke denken tegen de achtergrond van godsdienstige, technische en institutionele verwikkelingen.

Met een frequentie die soms overdreven aandoet (maar die ongetwijfeld zal zijn ingegeven door zijn ervaringen als docent) waarschuwt Lindberg tegen de klassieke fout het verleden te beoordelen door de bril van het heden. Dus wanneer Aristarchus van Samos (ca. 310-230 v. Chr.) de aarde rond de zon laat draaien, verdienen zijn tegenstanders het niet omwille van kortzichtigheid te worden beschimpt. Onze hedendaagse argumenten hoe overtuigend ook, doen er niet toe. Waar het om gaat is de vraag of de tijdgenoten van Aristarchus redenen hadden om hem te volgen.

Het antwoord is neen. Een bewegende aarde, vergelijkbaar met de planeten, stond op gespannen voet met zowel het gezag, het gezonde verstand, religieuze opvattingen als met de leer van Aristoteles. Daarbij kwam dat Aristarchus' systeem parallaxverschijnselen bij de sterren voorspelde, die niet werden waargenomen. En de eventuele voordelen (zoals een verklaring van helderheidsverschillen bij de planeten) waren ook te verkrijgen met stelsels die de aarde als middelpunt van het heelal in tact lieten.

The Beginnings of Western Science ontzenuwt een aantal hardnekkige vooroordelen. Eén daarvan, aan het begin van deze eeuw geventileerd door Pierre Duhem, wil dat de cultuur van de islam niet noemenswaard tot de ontwikkeling van de wetenschap zou hebben bijgedragen. Dat is nonsens. Al ging het de Arabieren bij hun vertalingen uit het Grieks in eerste instantie om de toepasbare medische kennis van Galen en Hippocrates, de filosofie waarin deze was vervat, trok evenzeer de aandacht. Uitgebreide commentaren (Avicenna, Averroes) en eigen onderzoek op het gebied van astronomie en optica waren het gevolg. Het was Alhazen (ca. 1040) die als eerste lichtstralen naar het oog toe liet lopen.

Het boek van Lindberg is bijzonder, glashelder, coherent, uiterst leerzaam en getuigt van enorme eruditie. De grote verdienste is de genuanceerde visie op de verhouding tussen kerk en wetenschap. De bewering dat het christendom de middeleeuwse wetenschap slechts heeft gedwarsboomd, aan banden gelegd waarvan ze zich pas duizend jaar later wist te bevrijden, wordt overtuigend weerlegd. Al in de vijfde eeuw accepteerde kerkvader Augustinus de Griekse filosofie als een nuttig, zij het onvolkomen hulpinstrument. De kerk was een van de weinige instituten die de (natuur)wetenschap onderdak boden. Kloosters fungeerden als bewaarders van ten minste een deel van de klassieke traditie, en dat in een tijd waarin deze onder grote druk stond.

EEUWIG BESTAANDE KOSMOS

Met de komst van vertalingen van de Griekse klassieken (en hun commentatoren) uit het Arabisch, vanaf de twaalfde eeuw, rees de vraag hoe alle nieuwe kennis met de kerkelijke leer te harmoniseren. Aristoteles' systeem gaf in dit opzicht nogal wat problemen. Een eeuwig bestaande kosmos viel moeilijk te rijmen met het scheppingsverhaal. Determinisme botste met vrije wil, goddelijke almacht, voorzienigheid en wonderen. En hoe moest het met de onscheidbaarheid van lichaam en ziel en de onsterfelijkheid van diezelfde ziel?

Tegelijk vormde het Aristotelisme, de logica voorop, een te aantrekkelijk systeem om zomaar terzijde te schuiven. Vorm, materie en substantie, het actueel en potentieel zijnde, de vier oorzaken van verandering, de elementenleer, het wezen der dingen, hun doel: al deze bouwstenen vormden een hechte constructie met een ongeëvenaard verklarend vermogen. Het kwam er dus op aan Aristoteles te domesticeren, Athene aan Jeruzalem te onderwerpen.

In dit proces was een voortrekkersrol weggelegd voor de dominicanen Albert de Grote en Thomas van Aquino. Bisschoppelijke veroordelingen, zoals die van Tempier in 1270 en 1277 te Parijs, vormden geen bedreiging voor het Aristotelisme als zodanig. Zelfs werd het via de universiteiten genstitutionaliseerd, en dat was de Grieken noch de islamieten gelukt.

Lindbergs gentegreerde aanpak van oudheid en middeleeuwen roept herinneringen op aan E. J. Dijksterhuis' magnum opus De mechanisering van het wereldbeeld uit 1950 (dat overigens tot en met Newton loopt). De strenge, sterk theoretisch gerichte aanpak van Dijksterhuis heeft bij Lindberg plaatsgemaakt voor een aanmerkelijk maatschappelijker benadering die naast de relatie filosofie-natuurwetenschap tevens oog heeft voor de culturele, institutionele en religieuze contexten waarbinnen de wetenschap kon groeien en zich verspreiden.