Het lange wachten op de "korte' rente

ROTTERDAM, 6 MAART. Op de financiële markten werd gisteren de onverwachte verlaging van de Duitse beleningsrente van 8,49 procent tot 8,25 procent met gejuich onthaald. Eindelijk toonde de Bundesbank genade, en vierde het orakel van Frankfurt de monetaire teugels, hoe gering ook.

De financiële wereld juichte daarbij vooral voor zichzelf. Een lagere korte-termijnrente heeft een directe en heilzame invloed op de bedrijfsvoering van banken en andere partijen op de financiële markten. Op dit moment is de invloed van de daling van de "korte tarieven' (rente op leningen met een looptijd van maximaal twee weken) op de grote economische buitenwereld echter in verhouding minder ingrijpend. De gehoopte Duitse rentedaling is al voor het grootste deel in de huidige "lange-marktrentes' (bijvoorbeeld op obligaties) verwerkt. Deze week braken de rendementen op Nederlandse staatobligaties door de ondergrens van 6,5 procent.

Voor het economische herstel is die gedaalde lange rente belangrijk. Een groot deel van de financiering van ondernemingen - in Duitsland zelf zo'n tachtig procent - heeft plaats in de vorm van langlopende leningen. Bij een lagere kapitaalmarktrente kan het bedrijfsleven een groot deel van de schulden nu omzetten in goedkopere leningen. Dat werkt weer door in lagere financieringslasten. Voor de particuliere consument hebben de lange tarieven effect op langlopende kredieten met een vaste rente. Over de gehele linie gingen de hypotheekrentes deze week omlaag tot 7,5 procent. Voor de overheid, ten slotte, is het financieren van de tekorten aantrekkelijker geworden. De dertigjarige staatslening, waarvan de derde tranche op 1 april "in de markt wordt gezet', kan nu al tegen een fors hogere koers worden uitgegeven. Op elk miljard dat de agent van financiën straks leent tegen 7,5 procent, verdient hij nu al tientallen miljoenen guldens.

De daling van de korte rente, die wordt gehanteerd op de geldmarkt, is tot nu toe ver bij de lange rente achtergebleven.

Op dit moment bedraagt de geldmarktrente nog 8,3 procent. Korte tarieven spelen vooral een belangrijke rol bij de financieringskosten van transacties in de financiële markten zelf. Voor banken is een daling van de korte rente een geschenk uit de hemel. Zij zijn normaliter gewend om kort geld te lenen op de geldmarkt om daarmee voor langere periodes kapitaal aan cliënten te lenen. Bij een normale rentestructuur, waarbij de korte rente lager is dan de lange rente, levert deze manier van werken veel geld op. Al twee jaar is de rentestructuur echter omgekeerd: kort geld is duurder dan lang kapitaal, en de banken is daardoor een bron van inkomsten ontnomen. Hoe dichter de korte rente naar de lange rente toekruipt, hoe liever het de bancaire sector is. Een terugkeer naar de normale rentestructuur wordt op zijn best echter pas tegen het jaareinde voorzien. Er zijn zelfs voorspellingen die uitgaan van een blijvend vlakke rentestructuur in de eerstvolgende jaren.

Het economische effect van een daling van de korte tarieven is volgens veel waarnemers veel minder sterk dan dat van de lange rente. De korte rente speelt een rol bij het vaststellen door banken van de rente op leningen tegen een variabel tarief, zoals consumptieve kredieten en korte-termijnleningen door het bedijfsleven. De daling van de lange rente heeft het effect daarvan volgens analisten al grotendeels weggesnoept. Overigens speelt de korte geldmarktrente wel een voorname rol op de valutamarkt.

De belangrijkste reden waarom de daling van de lange rente tot nu toe vooruit liep op de daling van de korte tarieven, is dat bij de lange kapitaalmarktrente de markt de baas is. De prijsvorming van obligaties, en daarmee het bepalen van de lange rente, door beleggers heeft veel meer te maken met inflatieverwachtingen en de inschatting van de toekomstige monetaire stabiliteit van een land op de lange termijn dan met officiële rentetarieven. Die officiële tarieven zijn wel belangrijk als indicatie van het vertrouwen van de centrale bank zelf in de monetaire toekomst. Vandaar dat de obligatiekoersen gisteren sterk reageerden op de verlaging van het Duitse beleningstarief. Om dezelfde reden ging de lange rente in Duitsland - en Nederland - in de laatste maanden ook al omlaag. De lange Duitse rente ligt met ruim 6,5 procent nu al bijna anderhalf procent onder het Duitse officiële disconto.

Handelaren zijn het erover eens dat de bodem van de lange rente in zicht komt. In Duitsland is de reële rente, het gat tussen de inflatie van 4,2 procent en de lange rente, teruggelopen tot onder 2,5 procent. Bovendien zullen investeerders, als zij op hun obligaties geen koerswinsten meer kunnen behalen met rentedalingen, hun oog steeds meer op andere beleggingen laten vallen. Een deel van de vraag valt dan weg, en daarmee de neerwaartse druk op de rente.

Verdere rentedalingen moeten dan ook steeds meer worden gezocht in de "kortere' tarieven, die geleidelijk aan meer luisteren naar de rente op de geldmarkt. En daar maken de centrale banken de dienst uit. Zij creëren in de regel een tekort op de nationale geldmarkt, dat alleen zijzelf kunnen aanvullen. Commerciële banken hebben op die manier een verplichte winkelnering bij hun centrale bank. Het tarief dat de centrale bank hanteert - de beleningsrente in Nederland en de "repo' in Duitsland - is in de regel dan ook de bodem tot waar de geldmarktrente kan dalen. Bij een iets grotere beschikbaarheid van geld op de markt kan de korte marktrente in enkele gevallen nog omlaag tot wat in Duitsland het disconto is en in Nederland de voorschotrente. Maar dat is dan ook het minimum.

Dat de Bundesbank gisterochtend toch nog het beleningstarief verlaagde van 8,49 procent tot 8,25 procent, heeft dus een directe invloed op de geldmarkttarieven. Het officiële Duitse lombard-tarief, dat ongewijzigd bleef op 9 procent, loopt daarbij achter de feiten aan. Handelaren beschouwen dit hogere geldmarkttarief op dit moment meer als een bovengrens, die er bij de huidige tendens van rentedalingen weinig toe doet. Pas wanneer de Bundesbank op 18 maart, bij de volgende bijeenkomst, samen met de Lombardrente (de bovengrens van de korte rente) ook het disconto (de ondergrens) verlaagt, komt er ruimte voor een verdere daling van de korte tarieven.