Europa's nieuwe economische prikkels; De tegenhanger voor een minder nivellerende fiscaliteit kan worden gevonden in een dynamischer economie

Laatst ontmoette ik een jonge Nederlandse econoom die binnenkort promoveert aan het Europees Universitair Instituut in Florence. Hij zei te overwegen terug te keren naar Nederland om aan de slag te gaan in het financieel-economisch beleid. Altijd nieuwsgierig naar de mening van belangstellende buitenstaanders, informeerde ik wat dan zijn ambities zouden zijn. Wat was zijn indruk van het beleid in ons land?

Bezien uit Italië, zo begon hij voorzichtig, waren de zaken in Nederland natuurlijk keurig geregeld. Geen "Italiaanse toestanden'. Maar wat hem wel stoorde waren de ellenlange, saaie discussies over perifere beleidsonderwerpen. Weinig doortastend, weinig uitdagend.

Dat deed mij denken aan het debat over de implicaties van de Europese economische en monetaire integratie voor ons land. De Europese integratie, zo krijgt men soms de indruk, betekent vooral dat we ons op allerlei terreinen aan de rest van Europa moeten aanpassen. De nationale beleidsruimte zou door Europa alleen maar kleiner worden.

Zo'n defensieve benadering is niet de mijne. Europa betekent nieuwe mogelijkheden en nieuwe uitdagingen. In de Interne Markt ("1992') neemt de vrijheid voor iedereen toe om precies daar in Europa te gaan kopen waar men zelf behoefte aan heeft, zonder dat de overheid daar aan de grens een paaltje voor steekt. De vrijheid ook om precies daar te gaan werken waar men zich prettig voelt. En precies daar te investeren waar dat de moeite waard is.

Dit zijn nieuwe mogelijkheden waar niemand schichtig van hoeft te worden. Tot zover geen reden voor somberheid. Maar door die grotere vrijheid neemt in Europa ook de concurrentie toe. Meer keuzevrijheid betekent dat de burger kritischer en kieskeuriger kan zijn. Om zijn gunst moet worden gestreden.

Dat vraagt om een economie die meer te bieden heeft dan die van de buren. Dus niet om sombere bespiegelingen over afnemende vrijheidsgraden, maar om een offensief. Inspelen op de nieuwe mogelijkheden in Europa: dat is de centrale uitdaging voor de komende periode.

Vandaag is door het Onderzoek Centrum Financieel-Economisch Beleid (OCFEB) van de Erasmus Universiteit Rotterdam een bundel* gepubliceerd die op deze uitdaging ingaat. Een bijdrage om los te komen van de oppervlakkige notie dat in Europa heel wat op stapel staat dat voor Nederland vooral pijnlijke aanpassingen meebrengt. Systematisch worden voor de verschillende financieel-economische beleidsterreinen de sterke en zwakke kanten van ons land door vooraanstaande deskundigen in beeld gebracht, telkens gevolgd door een visie op hetgeen ons de komende tijd te doen staat.

De beschouwde beleidsterreinen omvatten een breed scala. Van de meer traditionele, macro-economische onderwerpen (monetair, overheidsfinanciën) via het functioneren van belangrijke markten (arbeid, mededingen) tot bijzondere aandachtsgebieden zoals infrastructuur, technologie en innovatie, migratie, inkomensverdeling, milieu, modelgebruik en de organisatie van het sociaal-economisch leven. Door deze brede opzet zijn er enkele opvallende rode draden te ontdekken. Gemeenschappelijke elementen in een offensieve benadering van Europa.

Veelbelovende beleidsterreinen blijken niet altijd de terreinen te zijn waar de actualiteit zich het meest druk over maakt. Zo zijn solide overheidsfinanciën (met een beheerst financieringstekort en een lagere staatsschuld) zonder meer onmisbare, maar zeker geen voldoende voorwaarden voor een sterke economische positie van ons land in Europa. Binnen de grenzen van deze ijzeren randvoorwaarde begint eigenlijk pas de vraag hoe wij ons offensief kunnen profileren.

Waar discussies in ons land nogal eens de indruk wekken dat de overheid in staat zou zijn om (zelfs met een grote mate van nauwkeurigheid) de uitkomsten van het economisch proces direct te bepalen (van de koopkracht van de burger tot aan de winstmarges van de bedrijven), zijn in de praktijk van veel groter belang de regels en instituten die de dynamiek van het proces zelf beïn- vloeden. Dat geldt niet alleen voor de fiscaliteit en de samenstellen van de overheidsuitgaven (beide zouden beter toegespitst kunnen zijn op economische activiteit in plaats van passiviteit), maar ook in bredere zin voor de condities waaronder markten flexibel kunnen functioneren. En aldus werk en inkomen kunnen genereren.

Gelukkig begint hier verandering in te komen. Bij verschillende actuele beleidsvraagstukken dient zich heel nadrukkelijk de kwestie van de marktordening aan. Dat geldt niet alleen voor algemeen beleid zoals de sanering van de vestigingswetgeving en de modernisering van het mededingingsbeleid. De reikwijdte van dit beleid is afhankelijk van wet- en regelgeving die immers grenzen oplegt aan het functioneren van specifieke bedrijfstakken. Ook op dat niveau komt het een en ander in beweging. Zo heeft de Commissie-Wijffels geadviseerd over een nieuwe ordening van het railvervoer, is de markt voor notarisdiensten in beweging, buigen velen zich over de contouren van nieuwe wetgeving op het terrein van de telecommunicatie, en werkt het Projectteam Openbaar Vervoer aan een moderne ordening van de markt voor het personenvervoer.

Treffend bij deze recente ontwikkelingen zijn telkens weer twee samenhangende problemen, die tevens als een rode draad door de genoemde bundel lopen. Ten eerste blijken specifieke deelbelangen het vaak moeilijk te maken om op dergelijke structurele beleidsterreinen tot doortastende actie te komen. Ten tweede ontbreekt vaak een helder en eenduidig economisch-analytisch kader waar die actie op gebaseerd kan worden. "Meer markt, minder overheid' is een slogan die het nog steeds goed doet, maar bij de marktordening is voor de overheid soms juist een actieve, zij het genuanceerde rol weggelegd.

Gezien de deelbelangen die meestal in het spel zijn, is een heldere analyse van grote betekenis. In Duitsland heeft men dit probleem enkele jaren geleden opgevangen door een commissie van deskundigen uit te nodigen om algemene uitgangspunten te formuleren voor de marktordening. Deze zijn vervolgens vertaald in concrete adviezen voor specifieke markten en bedrijfstakken. Per saldo heeft dit initiatief de ordeningsdiscussie op een hoger niveau gebracht, en de koers van het beleid helpen verleggen van de korte naar de wat langere termijn.

De bundel over de Nederlandse economie bevestigt dat ook hier veel te winnen valt met een aanpak waarin het gezamenlijk, algemeen belang voorop staat. Zeker: structurele maatregelen kunnen - in afzondering bezien - voor de betrokken individuen, belangengroepen en sectoren soms heel pijnlijk zijn. Maar juist het bredere kader maakt zichbaar dat uiteindelijk iedereen is gebaat bij een moderne marktordening, met een eigen plaats voor de overheid.

Langs deze weg zouden wij er ook in Nederland naar kunnen streven om voldoende vrijheidsgraden voor het beleid veilig te stellen - ook in het nieuwe Europa.

Maar dan niet door deelterreinen in afzondering te beschouwen. Een voorbeeld. Door de Europese integratie ontstaat behoefte aan vernieuwing van de fiscaliteit. Op zichzelf zal neerwaartse druk op tarieven in Nederland onvermijdelijk enige mate van inkomensdenivellering met zich meebrengen. In afzondering bezien reduceert Europa dus onze vrijheidsgraden. Maar met een samenhangende inzet van nieuwe instrumenten in de sfeer van de marktordeing en van de arbeidsmarkt (herijking verzorgingsstaat) is het tegendeel het geval. De tegenhanger voor een minder nivellerende fiscaliteit kan worden gevonden in een dynamischer economie, met meer werkgelegeneid. Vervolgens biedt Europa aan een fitte economie juist meer mogelijkheden.

Hoe zou de promovendus uit Italië hier nu tegenaan kijken? Alles in ons land is toch al keurig geregeld? De Nederlandse economie behoort toch al tot de voorhoede van Europa? Welnu, daar laten de feiten ons in de steek. Was Nederland in 1970 het land met het allerhoogste reële inkomen per hoofd van de bevolking in de EG (hoger zelfs dan Duitsland), inmiddels is Italië langszij gekomen en ligt een land als Frankrijk al zo'n tien procent op ons voor. Deze cijfers hebben een heel reële betekenis, het nationale inkomen bepaalt tenslotte wat er door een land te besteden valt.

Derhalve: weliswaar geen benepenheid over de uitdagingen in het nieuwe Europa, maar saai hoeft het nu ook alweer niet te worden.