EEN STILLE TAAL

Gebarentaal. De taal van doven in Nederland door Liesbeth Koenen, Tony Bloem en Ruud Janssen 221 blz., geïll., Nijgh & van Ditmar 1993, f 49,90 ISBN 90 388 4344 5

Aan het einde van de jaren zestig werd het Groningse Koninklijk Instituut voor Doof-stommen H. D. Guyot omgedoopt tot Koninklijk Instituut voor Doven H. D. Guyot. Over doofstommen hoor je eigenlijk niet meer. Dat komt doordat alle doven in Nederland ook les krijgen in Nederlandse taal: spreken, liplezen, lezen en schrijven. Hoe moeilijk dat is voor iemand die totaal niets horen kan, is nauwelijks voor te stellen. Het resultaat blijft dan ook vaak ver achter bij wat horende kinderen schijnbaar moeiteloos leren.

Maar stom in dit verband betekent niet dom. Het dove kind heeft dezelfde intelligentie als het horende kind. Vandaar dat het vaak met gebaren compenseert wat met de Nederlandse taal niet goed of niet vlug genoeg gaat. Overal op de wereld zijn er zo gebarentalen ontstaan. Pas de laatste tijd komt er enige wetenschappelijke belangstelling, en daardoor ook waardering, voor deze gebarentalen. In doveninstituten is gebarentaal lange tijd taboe geweest: het onderwijs was erop gericht de dove leerlingen zo veel mogelijk de landstaal bij te brengen. Dat was natuurlijk vanuit de gedachte dat op die manier de dove later in de samenleving beter zijn weg zou vinden.

Gebarentaal is daarom lange tijd gezien als schadelijk voor de taal-ontwikkeling. In de klas was het maken van gebaren verboden; wie het toch deed, moest voor straf op zijn handen zitten. Gelukkig komt men daar nu wat van terug. Want doordat dove kinderen zo veel langzamer en gebrekkiger Nederlands leren, blijft ook hun intellectuele ontwikkeling vaak matig. Vandaar dat men tegenwoordig liever alle middelen aanwendt, zowel Nederlands (spreken, liplezen, schrijven en lezen), handalfabet als gebarentaal, opdat de intellectuele ontwikkeling zo min mogelijk belemmering ontmoet. Hoe meer het dove kind leert, hoe dan ook, des te beter het is, en des te makkelijker en beter het later Nederlands als tweede taal zal kunnen leren. En ook gebarentaal.

Gebarentaal van Liesbeth Koenen, Tony Bloem en Ruud Janssen is een zeer leesbaar en prachtig uitgegeven boek over gebarentaal zoals die in Nederland onder doven bestaat. Helder en met veel voorbeelden wordt uitgelegd dat in gebarentalen net zo veel, en even makkelijk en snel, te communiceren is als in het Nederlands of Engels of Frans. Dat er over de hele wereld duizenden verschillende gebarentalen bestaan, dat er ook "dialecten' in zijn en dat je er evengoed grapjes in kunt maken en gedichten voordragen. En dat gebarentaal echt niet vergelijkbaar is met die paar conventionele gebaren die iedereen kent, als voor ""mmmm, lekker' (vlakke hand langs het hoofd heen en weer) of ""pico bello' (ringetje van wijsvinger op duim).

ONDER DE INDRUK

Het spreekt vanzelf dat dit boek veel foto's en tekeningen bevat. Hoe langer je naar de tekeningen kijkt, des te dieper je onder de indruk raakt van de mogelijkheden van gebarentaal, die beslist niet onderdoen voor het Nederlands. En je begint te begrijpen hoe het moet zijn om, doof geboren, gebarentaal als moedertaal te hebben, en dus ook te denken in gebarentaal.

In een echte gebarentaal kan alles gezegd worden, en in net zo'n rap tempo als in gesproken taal. Eens per jaar krijgt heel Nederland er iets van te zien, bij de rechtstreekse uitzending van de Troonrede. Alles wat de koningin zegt, wordt dan door een tolk van de televisie in gebarentaal omgezet. In zo'n echte gebarentaal kan men net zo makkelijk spreken over bestedingsbeperking, begrotingstekort of bilateraal overleg als in het Nederlands.

Liesbeth Koenen betoogt in dit boek dat gebarentaal in alle wezenlijke opzichten evenzeer een taal is als het Nederlands, Engels of Frans. Daarmee snijdt zij een theoretisch-taalkundig thema aan dat voor lingusten hoogst interessant is maar hier te weinig argumentatie krijgt, en voor alle andere lezers niet relevant is. Misschien is het zo. Maar het criterium dat je ""over alles' in gebarentaal praten kan, lijkt me in ieder geval geen hout snijden, want dan vallen zogenaamde primitieve talen meteen af. De taalwetenschap heeft echter de notie ""primitieve talen' overboord gezet, niet omdat elk van hen zich leent voor een conversatie over bestedingsbeperking en begrotingstekort, wat aantoonbaar niet het geval is, maar op grond van structurele kenmerken. Wil gebarentaal een echte taal genoemd worden, dan moet dat op grond van structurele kenmerken. En daarover deelt Koenen (begrijpelijk) nogal weinig mee, want het boek is niet voor lingusten geschreven.

Anderzijds krijgt men niet helemaal een goed beeld van hoe doven in Nederland communiceren. Gebarentaal speelt daarbij weliswaar een grote rol, maar nergens vinden we gebarentaal "sec'. Altijd en overal is gebarentaal vermengd met liplezen en handalfabet. De tolk die op televisie de troonrede gebaart, maakt tegelijkertijd bewegingen met haar mond. Nederlandse mondbewegingen! Menig gebaar vergt in de praktijk een met handalfabet gespelde eerste letter, dus een eerste letter van het Nederlandse woord. Waardoor het ook vanuit dit perspectief nog maar de vraag is, hoe zelfstandig en hoe krachtig het medium gebarentaal is. De onduidelijkheid hieromtrent in het boek lijkt me het gevolg van Koenens uitgangspunt: niet de feitelijke situatie in de wereld der doven, maar gebarentaal als taalkundig fenomeen.

Dit alles neemt niet weg dat er nu bij mijn weten voor het eerst een goed en zelfs prettig leesbaar boek is over zo'n belangrijk onderwerp. Het is nu al de verdienste van dit boek te noemen dat het gebarentaal zo breed onder de aandacht heeft gebracht. De vele tekeningen van Ruud Janssen en Tony Bloem vind ik zelfs subliem. Ze zijn een belangrijke stap vooruit ten opzichte van foto's als in het Groninger gebarenwoordenboek.

Aan het slot van het boek wordt een pleidooi gehouden ook horende kinderen gebarentaal te leren. Dat zal, als je geen doof broertje of zusje hebt, wel een vrome wens blijven. Al was het maar omdat het afgemeten wordt tegen het belang van Frans, Duits of Spaans als tweede vreemde taal. Er zit voor doven, als minderheid, niets anders op dan toch ook Nederlands te leren. Maar Koenen overtuigt je wel dat dat waarschijnlijk het beste lukt via een primaire ontwikkeling in gebarentaal. En daarvoor is allerwege meer inzicht en begrip nodig voor wat gebarentaal is en kan. Dit boek levert daarvoor, inclusief de vragen en discussie die het oproept, een belangrijke bijdrage.