DE MODERNE TIJD ALS KEURMERK; Wies van Moorsel over de ijzeren consequentie van Goed Wonen

Contact en controle. Over het vrouwbeeld van de Stichting Goed Wonen 311 blz., geïll., SUA 1992, f 45,- ISBN 90 6222 235 8

Goede vormgeving kan de maatschappij veranderen. Met het propageren van deze overtuiging werd de Stichting Goed Wonen een begrip in naoorlogs Nederland. De opvattingen van Goed Wonen over woninginrichting werden nadrukkelijk geafficheerd als "modern', maar in feite stoelde het gedachtengoed op traditionele idee-en over gemeenschap en gezin, en over de vrouw als spil van het huishouden. Licht en lucht moest er zijn, maar vrouwen hoorden wel achter het aanrecht. Deze intrigerende discrepantie was voor Wies van Moorsel (1935), kunsthistorica aan de Universiteit van Amsterdam, aanleiding haar proefschrift Contact en controle te wijden aan het vrouwbeeld van deze idealistische instelling.

De vraag wat Goed Wonen wilde bereiken, is overigens niet gemakkelijk te beantwoorden. De doelstelling van de stichting is volgens Van Moorsel in de loop van haar bestaan, tussen 1946 en 1968, verschoven. ""In het begin lag de nadruk op samenwerking met fabrikanten en distributeurs om de consument in contact te brengen met de nieuwe, moderne stijl van woninginrichting. Want bij een nieuw tijdperk hoorde een nieuwe mentaliteit, en die diende ook in de woning te worden uitgedragen.'

Goed Wonen kende aan vormgeving en inrichting een zware morele lading toe, en dat ging zover dat het handhaven van een niet-modern ameubelement bijna werd beschouwd als een verderfelijke daad. De stichting riep de consument daarover voortdurend ter verantwoording op een prekerige toon die een gegeven moment mensen begon af te schrikken. Gaandeweg verschoof de klemtoon van Goed Wonen evenwel naar het geven van meer objectieve technische informatie. Zelfs werden in het tijdschrift Goed Wonen buitenstaanders aan het woord gelaten. ""Eind jaren vijftig kreeg journaliste Jeanne Roos het verzoek een serie interviews te maken met mensen over hun woning. Maar de redactie kon het niet laten om halverwege de reeks te verzuchten dat de getoonde interieurs toch niet helemaal met de principes van de moderne inrichting strookten.'

Van Moorsel is door haar eigen achtergrond vertrouwd met de specifieke Goed Wonen-sfeer. ""Mijn eerste meubels kocht ik begin jaren zestig bij Bas van Pelt, zeg maar de Haagse tegenhanger van Goed Wonen, en van mijn vader kreeg ik een tafeltje en twee stoelen van Alvar Aalto. De moderne architectuur heeft me altijd geboeid, ongetwijfeld ook omdat ik als nichtje van Theo en Nellie van Doesburg al vroeg werd volgestopt met de opvattingen van De Stijl.'

ROLLENPATROON

Kern van het boek van Van Moorsel is de analyse van het vrouwbeeld van de Stichting Goed Wonen aan de hand van haar visie op woninginrichting. ""In de eerste plaats heb ik gekeken naar de ruimtelijke relaties binnen de woning zoals Goed Wonen die voorstond: de indeling van de woonkamer, keuken en slaapkamers en hun ligging ten opzichte van elkaar. Die zijn een uitdrukking van de maatschappelijke verhoudingen tussen de gezinsleden. De kinderen moesten genoeg ruimte hebben om te spelen, vader kreeg soms een eigen kamer, maar moeder zat met haar naaimachine in een hoekje van de woonkamer of hooguit in de ouderslaapkamer. De ideeën over de eenheid van het gezin en het zelfs voor die tijd stereotiepe rollenpatroon zie je hierin weerspiegeld. Alles werd beredeneerd vanuit het wel en wee van het gezin.'

Bij veel vrouwen, zelfs werkende moeders, kwam de gedachte aan een eigen kamer eenvoudigweg niet op. ""Lida Licht-Lankelma bijvoorbeeld was binnenhuisarchitect en haar man meubelmaker. Behalve dat ze samen vier kinderen hadden, beheerden ze samen een bedrijf: hij maakte meubels en zij richtte woningen in. Toen ik haar interviewde, vond ze het nog steeds heel normaal dat zij met haar tekentafel in de woonkamer stond. Ze zei nog: zo hebben de kinderen goed leren tekenen.'

Wie zich er wel over beklaagde, was publiciste Harriët Freezer, die in een artikel in Goed Wonen schreef dat ze dolgraag een eigen kamer had gehad waar de melkboer noch de bakker kwam. ""Haar stuk werd wel geplaatst, maar met haar klacht gebeurde verder niets.'

Echt verbaasd hierover is Wies van Moorsel niet. Zij krijgt er de kriebels van, zegt ze, maar dit waren toen immers de gangbare opvattingen. ""Ik keek wel op van de ijzeren consequentie waarmee Goed Wonen het ideaal van de gemeenschap uitdroeg. Door het bestuderen van plattegronden, maar ook door het analyseren van een voorlichtingsfilm en een aantal artikelen uit het tijdschrift, blijkt dat de persoonlijke vrijheid bij het inrichten en bewonen die Goed Wonen propageerde, meer suggestie was dan werkelijkheid. De stichting werkte vanuit een vast patroon, zowel ruimtelijk als sociaal. Er werd weliswaar veel nadruk gelegd op de ontplooiing van ieders persoonlijkheid, maar die ontplooiing was vooral bedoeld om het besef van verantwoordelijkheid voor de samenleving te ontwikkelen. Het was in feite een typisch staaltje van volksopvoeding, zoals in die tijd gangbaar was.

""De leden van de stichting dachten dat zij een woonfilosofie hadden ontwikkeld die tijdloos en universeel was. Door die schijn van objectiviteit hadden zij geen oog voor de behoudende kanten van hun denken. De vrouw was in de visie van Goed Wonen nog altijd first and foremost de spil van het gezin en degene die de idealen in het dagelijks leven moest toepassen.'

NATIONAAL-SOCIALISME

In Contact en controle worden de opvattingen van Goed Wonen over het verband tussen levenshouding en woninginrichting vergeleken met het streven naar ordeningszin, hygiëne en goede smaak in het nationaal-socialisme. ""Het keurmerk van de "Deutscher Hausrat',' schrijft Van Moorsel, ""is niet ver verwijderd van Goed Wonens latere criteria voor haar eigen keurmerk: samenhang tussen doel, vorm, werkwijze en materiaal, die bovendien "goed' en "zuiver' moesten worden toegepast. Volgens de nazi's werd de volkssmaak bepaald door tijdgeest en ras; Goed Wonen hanteerde alleen de moderne tijd als criterium.'

Van Moorsel meent dat dit geen geforceerde vergelijking is: ""Niemand durft het te zeggen, maar die ideeën liggen heel dicht bij elkaar. Je ziet het aan de opvoedingstentoonstellingen die Goed Wonen onder Sandberg in het Stedelijk Museum organiseerde. Sandberg is door zijn gedrag in het verzet de laatste die je van nationaal-socialistische sympathieën zou kunnen verdenken, maar net als in Duitsland leefden hier ideeën over een esthetiek die samen moest vallen met bepaalde levensopvattingen.'

In de jaren zestig verbreedde de stichting haar aandacht van het interieur naar de woningbouw en zelfs de stedebouw. Maar de kloof die daardoor ontstond tussen het tijdschrift en de dagelijkse praktijk van de voorlichting, werd Goed Wonen noodlottig. In 1968 viel het doek voor de stichting.

Toch is niet alles voor niets geweest. Er zijn nog steeds vrouwenorganisaties actief in het meedenken over en bijsturen van bouwplannen door (mannelijke) architecten en ontwerpers die vooral in termen van functies denken en minder oog hebben voor de diversiteit in de woning. Van Moorsel: ""Nog altijd zie je dat de woonkamer de grootste kamer is. Dat veronderstelt gemeenschappelijke activiteit, dus het gezin als eenheid. Hoewel er in de jaren tachtig serieuze pogingen zijn gedaan om die hiërarchie te doorbreken, weer-spiegelt het woningaanbod in Amsterdam op geen enkele wijze de pluriformiteit van de bevolking. Veel mensen wonen tegenwoordig alleen, migrantengezinnen hebben aparte ruimtes voor mannen en vrouwen nodig. Bij een experiment in Amsterdam-Oost is bijvoorbeeld de keuken flink groter gemaakt zodat de vrouwen familie en vriendinnen kunnen ontvangen. Als bezwaar daartegen kun je inbrengen, dat die woningen niet meer "neutraal' zijn, niet voor iedereen te bewonen. Maar neutraal bestaat niet, dat bewijst de geschiedenis van Goed Wonen: wat tijdloos en universeel leek, blijkt nu duidelijk door de waarden van dat tijdperk ingegeven.'

Vooral in de beginjaren maakte Goed Wonen vormgeving en inrichting tot een vooruitgeschoven post van wat later de maakbare samenleving zou heten. Kan goede vormgeving de maatschappij veranderen? Dat is een erg optimistisch, misschien zelfs naïef idee, dat weet Wies van Moorsel ook wel. ""Wetenschappelijk geloof ik er niet in, maar nog altijd zegt mijn gevoel dat er toch iets van waar is.'