ALEXANDER DUBCEK; De communist die het goed bedoelde

De autobiografie van een idealist door Alexander Dubcek 335 blz., Meulenhoff 1993 (uit het Engels vertaal door Martha Heesen), f 39,50 ISBN 90 290 2567 0

"Op 26 november 1989 verschenen Václav Havel en ik, naast elkaar, op het beroemde balkon van het gebouw van de uitgeverij Melantrich aan het Wenceslasplein. We vormden het symbool voor de Tsjechische en Slowaakse oppositie in hun strijd tegen de restanten van het stalinistische systeem.'

Het is een van de laatste alinea's van de Autobiografie van een idealist van Alexander Dubcek, de Tsjechoslowaakse partijchef wiens poging het socialisme een menselijk gezicht te geven 21 jaar eerder met wapengeweld was onderdrukt. Het is op een bepaalde manier een heel sprekende alinea, want Dubcek zit er ver naast, zoals hij er vaak ver naast zat. Havel wàs inderdaad het symbool van de Tsjechische oppositie - maar Dubcek was zeker niet het symbool van de Slowaakse. In november 1989 was Dubcek hooguit het symbool van die moedige poging van 21 jaar eerder, die de geschiedenis is ingegaan als de Praagse Lente. Maar sinds 1970, toen hij in de hem opgelegde vergetelheid verdween, had hij niets meer van zich laten horen: Dubcek zweeg bij de massazuiveringen van de jaren zeventig, Dubcek schreef geen open brieven toen zijn aanhangers en masse werd ontslagen, verbannen, gearresteerd en veroordeeld, Dubcek ontbrak in de gelederen van Charta en andere organisaties van dissidenten. Hèt symbool van het verzet tegen het stalinisme was eind 1989 Havel, en Havel alleen, en daarom werd niet Alexander Dubcek maar Václav Havel president van het nieuwe Tsjechoslowakije.

Dubcek omschrijft zichzelf in de titel van zijn autobiografie als een idealist. Het is een heel goede omschrijving: hij was een man met een droom, een man van goede wil - maar te idealistisch en te goedgelovig voor de taak die hem in januari 1968 in de schoot werd geworpen. Hij verkeek zich op de reactie van de oude stalinisten Brezjnev, Soeslov, Kosygin en Ulbricht op zijn pogingen het socialisme te moderniseren. Tijdens de inval van augustus 1968 en in de periode daarna moest hij verbijsterd gadeslaan hoe zijn vrienden en medestrijders hem - met Josef Smrkovský als eenzame uitzondering - een voor een lieten vallen en verraad pleegden, en vaak nota bene waar hij zelf bij zat. Hij bleef zich na september 1968 vastklampen aan de hoop van zijn hervormingen nog iets te redden, liet de ene na de andere kans om de eer aan zichzelf te houden voorbijgaan, tekende wetten waarvoor hij zich nog twintig jaar zou schamen - en verloor uiteindelijk zijn geloofwaardigheid: de Tsjechen die hem in november 1989 toejuichten, juichten voor een man die het goed had bedoeld, niet voor de man van de toekomst.

BROEDERKUS

Over de Praagse Lente is al veel geschreven, ook door direct betrokkenen, en dat geldt ook over de dagen onmiddellijk na de invasie, toen de hele partijleiding uit Praag naar Moskou werd overgebracht om er na emotionele confrontaties met de dinosaurussen van het Sovjet-politburo het Dictaat van Moskou te ondertekenen. Zdenek Mlynár heeft over die zittingen geschreven, Milan Kundera heeft het gehad over de lange pauzes in de radioboodschap die Dubcek na zijn terugkeer afstak, de pauzes waarin hij, door emoties overmand, niet verder kon spreken - de pauzes die de Tsjechoslowaken zich nog vele jaren zouden herinneren, beter dan wat Dubcek in die toespraak daadwerkelijk zei.

Dubcek voegt daar niet veel aan toe. Hij volgt de chronologie, beschrijft trouw wat werd besloten en hoe werd gereageerd en vult die beschrijving slechts hier en daar aan met wat persoonlijke details, over de Sovjet-leiders die gewend waren met oekazes anderen de les voor te schrijven en zich ""grof en kwaadaardig' gedroegen als ze hun zin niet kregen. Het zijn kleine, soms amusante blikken achter de schermen. Dubcek vertelt welke trucs hij met grote bossen bloemen moet uithalen om te ontsnappen aan Brezjnevs traditionele, door Dubcek verafschuwde broederkus (op de mond). Elders citeert hij de grove antisemitische opmerkingen van Kosygin en hij neemt ook geen blad voor de mond bij zijn beschrijvingen van andere collega's: ""Je moest heel wat verdragen om het over wat dan ook eens te zijn met die Ulbricht met zijn sikje. Hij was een dogmaticus, die ergens tijdens Stalin was versteend, en ik vond zijn persoon afstotelijk.'

Alexander Dubcek werd in 1921 geboren uit ouders die hem zijn idealisme met de paplepel bijbrachten. Ze waren vlak voor Alexanders geboorte uit Amerika teruggekeerd, waar de vader - in 1912 naar de VS geëmigreerd - in de gevangenis had gezeten wegens dienstweigering. Na drie jaar vertrokken ze weer uit Slowakije, gehoor gevend aan de oproep het socialisme op te bouwen in de jonge Sovjet-Unie, in Kirgizië. In Pisjkek (later Froenze, nu Bisjkek), de hoofdstad van Kirgizië, groeide Alexander Dubcek op. Bisjkek is nu een moderne stad - in de jaren twintig was het niet meer dan een waterplaats voor rondtrekkende karava-nen, een emmer was een luxe-artikel, en Dubcek beschrijft hoe de Tsjechoslowaakse vrijwilligers zich soms in leven moesten houden met het vangen, roosteren en eten van mussen. In 1933 trekt het gezin naar Gorki, waar vader Dubcek in de autofabrieken gaat werken. Er is dan al ""een onbekende schaduw' over de Sovjet-Unie gevallen, die van de gedwongen collectivisatie: het jongetje Dubcek ziet op het station van Froenze hoe de koelakken uit Rusland worden aangevoerd. In Gorki komen daar de grote zuiveringen bij: ""Er gebeurden dingen waarvan de betekenis als een zware wolk boven ons bleef hangen, aanzwellend en dreigend. Het was onmogelijk om helemaal zorgeloos te zijn.'

SNELLE CARRIÈRE

In 1938 moeten de Dubceks de Sovjet-Unie verlaten: het wantrouwen tegen buitenlanders wordt te groot. De jonge Alexander is dan, die dreigende wolk ten spijt, al het type communist dat hij later altijd zou blijven: enthousiast gelovend in de basispremisses van de communistische ideologie, de sociale rechtvaardigheid voor allen, de verdwijning van de uitbuiting van het kapitalisme. Als de oorlog uitbreekt, gaat hij bij het verzet. In de Slowaakse Opstand van 1944 wordt hij twee keer gewond. Die verwondingen en zijn vroege partijlidmaatschap leveren hem in het naoorlogse Tsjechoslowakije een snelle carrière op, vooral als hij in 1950 kiest voor een volle partijbaan. Hij wordt naar Moskou gestuurd om te studeren en klimt na zijn terugkeer snel op in de partijhiërarchie. In 1963 wordt Dubcek partijchef van Slowakije.

Niet bekend

KNUPPELWET

Dubcek laat een paar cruciale vragen onbeantwoord. De belangrijkste: hoe kon een idealist, die vanaf zijn jeugd vocht voor een menselijk socialisme, die hele duistere periode van 1950 tot het begin van de jaren zestig werkzaam blijven binnen de organisatie - de partij - die de repressie instelde, in stand hield en hardnekkig bleef verdedigen? Al lezend bekruipt de lezer van de autobiografie de indruk dat Dubcek in die jaren, toen tienduizenden mensen om hun mening, hun verleden, hun afkomst (of om niets) gevangen werden gezet, naar de uraniummijnen werden gestuurd of zelfs werden opgehangen, met een roze bril door het partijleven is gestapt, zich nergens van bewust, niets wetend, blind voor de krasse onrechtvaardigheden van die stalinistische tijd.

Het is alsof Dubcek pas ontwaakt als het te laat is: na de Sovjet-invasie, als hij, steeds eenzamer, en steeds vergeefs, probeert te redden wat er te redden valt. Vrienden en medestrijders laten hem in de steek. Generaal Svoboda, de bejaarde president, laat al snel het hoofd hangen. Als Dubcek uiteindelijk wordt benoemd tot ambassadeur in Turkije en hij vóór zijn vertrek naar Ankara op protocollaire gronden door het staatshoofd wordt ontvangen, wordt de bejaarde generaal overmand door zijn eigen schuldgevoel: hij ""glijdt van de sofa' en valt voor Dubcek op zijn knieën. Anderen hebben minder scrupules. Husák, de kille opportunist die door Dubcek zelf uit de vergetelheid was teruggehaald, heeft hem al veel eerder verraden, al in Moskou. Strougal, Cernik, Cisar - de een na de ander zwicht voor de Russen en laat Dubcek vallen. Sommigen presteren het zelfs om tijdens onderhandelingen in het bijzijn van de verblufte en verbijsterde Dubcek zelf de Russen concessies aan te bieden waar ze helemaal niet om hebben gevraagd.

Maar één keer geeft Dubcek een fout toe, als hij Wet 99 moet ondertekenen, in augustus 1969, de "knuppelwet', een van de meest repressieve wetten van het tijdperk-Husák: ""Hij (Husák) zat nog niet of hij begon al tegen me te schreeuwen dat ik verantwoordelijk zou zijn voor nog meer doden wanneer het wetsontwerp niet gauw werd aanvaard. [...] Andere leden van het parlementspresidium vielen hem luidruchtig bij. Toen gaf ik het op, vermoeid en gelaten. [...] Mijn grote fout was dat ik de wet ondertekende [...] die ik steeds had bestreden. Maar het was een koortsachtig, verward ogenblik; ik stond daar volkomen alleen, en op dat moment dacht ik niet aan de gevolgen. Ik zal er mijn leven lang spijt van hebben.'

Maar Dubcek stapte niet op, ook toen niet. Hij werd eruit gegooid - als ambassadeur in Turkije. Een ambassadeur die overigens listen en trucs moest bedenken om naar Praag terug te keren, want het regime-Husák wilde niets liever dan dat hij ergens politiek asiel vroeg en zich niet meer in Tsjechoslowakije liet zien. Dubcek sloop tenslotte 's nachts zijn eigen ambassade in Ankara uit, reisde naar Istanbul en nam daar in het geheim een Hongaarse lijnvlucht.

ONTHULLEND

Zijn verdediging tegen het verwijt zich niet bij Charta te hebben aangesloten (""Charta was een Tsjechische reactie op de situatie. In Slowakije [...] hadden we onze eigen manieren om dezelfde idealen na te streven') is niet erg overtuigend. De autobiografie houdt in november 1989 op en we komen dus niets te weten over de ontwikkelingen daarna, inclusief de Tsjechisch-Slowaakse breuk. Dat is jammer, want enerzijds was Dubcek de federale Tsjechoslowaakse zaak toegedaan (al speelt de achterstelling van Slowakije wel een rol in de autobiografie), maar anderzijds was hij vorig jaar tot aan zijn dood de man die de eerste president van de nieuwe Slowaakse Republiek had moeten worden en het zou daarom interessant zijn geweest te weten wat hij van de Slowaakse afscheiding vond.

Ondanks die tekortkomingen is het boek in sommige opzichten heel onthullend. Niet om wat Dubcek over 1968 te melden heeft - maar wel om zijn beschrijving van de periode 1963-1968 en zeker ook om zijn relaas van de jaren na 1970. In dit laatste deel van de autobiografie schetst Dubcek de dagelijkse pesterijen waarmee het bewind van zijn opvolger Husák hem twintig jaar lang het leven zuur maakte. Als Dubcek uit de partij en al zijn functies is gezet keert hij als ambteloos burger terug naar Bratislava. Enig inkomen heeft hij dan niet - hij leeft met zijn vrouw van zijn spaargeld (""drieduizend dollar op de zwarte markt'). Hij merkt al snel dat ""ze' - het regime - ""een onzichtbare muur' om hem heen hebben gebouwd. Hij moet op zoek naar een baan en raadpleegt de kleine advertenties in de krant, maar: ""Voor mij was er nergens een baan. Ik mocht niet zelf beslissen hoe ik in mijn levensonderhoud zou voorzien.' Het zoeken wordt bemoeilijkt door de massazuiveringen van de "normalisatie': tienduizenden mensen waren ontslagen en zochten net als Dubcek een baantje.

Uiteindelijk wordt Dubcek een betrekking bij Staatsbosbeheer aangeboden: hij repareert voor een maandloon van omgerekend 74 dollar per maand kettingzagen en last kapot gereedschap en zal dat tot zijn pensionering in 1985 blijven doen.

De "onzichtbare muur' bleef overeind tot de val van het socialisme, in 1989. Jarenlang parkeert het bewind een auto met politie-agenten voor Dubceks deur. Later wordt de auto honderd meter verderop gezet; de deurbel is aangesloten op een alarm in de auto, en elke keer dat de bel gaat komt de politie om de papieren van de bezoeker te controleren. De pesterij neemt soms grove vormen aan: Dubceks vrouw mag niet, zoals elke staatsburger, voor haar gezondheid naar een sanatorium als de arts haar dat voorschrijft - een keer wordt ze zelfs teruggestuurd als een employé haar toch heeft ingeschreven - en net als haar man wordt ook zij bij elke stap buiten de deur jarenlang hinderlijk gevolgd door zeker drie agenten, ook als ze boodschappen doet of met de kleinkinderen wandelt. Dubcek wordt gedwongen voor de ontvangst van aangetekende brieven te tekenen maar krijgt ze nooit in handen. Hij wordt uit elke vereniging gegooid waarvan hij lid was, zelfs uit de Jagersbond en de organisatie van ex-verzetslieden; protestbrieven blijven onbeantwoord. Hij treft thuis voortdurend microfoontjes aan, tot in aanstekers en de thermostaat van de oven toe. Mensen die de Dubceks op straat of in de tram aanspreken of zelfs maar groeten worden door de altijd aanwezige leden van de geheime politie apart genomen, verhoord en soms met ontslag gedreigd. De enkeling die hen, al dan niet bewust, helpt, wordt ontslagen. Het is een heel scala van pesterijen die bijna twintig jaar aanhouden. Dubceks beschrijving van deze episode is in al haar koelte indrukwekkend: zelden eerder werd het benepen karakter van het regime van Husák beter beschreven dan in dit laatste deel van het relaas van Alexander Dubcek.