Afijn, welnu

Er zijn voorvallen - zo klein, dat je ze onmiddellijk weer vergeten dreigt te zijn.

Veel gewicht in de schaal legt, allicht, hoe druk je het hebt. Een zekere ledigheid lijkt vereist om de ruimte te creëren waarbinnen het kleine voorval zich kan voordoen. Zonder iemands bereidheid om het waar te nemen kan het kleine voorval eenvoudig niet bestaan.

Tussen de waarnemer en de vertaler bestaat misschien geen principieel verschil. Aan het eind van de dag gekomen - althans het voorlopige eind, dat de gemeenschappelijke avondmaaltijd is - hangt het er maar net van af, opnieuw, of aan een voorval nog een summier tweede leven vergund wordt. Niemand weet hoe het slordige besluit tot een kleine vertelling tot stand komt. Zo'n vertelling is een waagstuk. Net als het voorval is het verhaal tot op zekere hoogte een eigen creatie, met het risico dat er niets van terecht komt. De mede-eters beginnen te rumoeren, en men staakt zijn vertelling.

Mijn moeder vertelde vroeger vaak prachtige verhalen; haar ontging weinig. Boodschappenavonturen zou misschien een goede naam zijn voor het door haar beoefende genre. Zij muntte uit in stukjes dialoog, vormgegeven volgens een vast stramien. Ik bedoel de formule: Hij zegt: "...' - waarbij de stippeltjes staan voor wat ie dan zegt -, gevolgd door ["...'], zegt ie.

Dit is - naar ik pas later begrepen heb, wat misschien dom van me is - de zeer preciese manier waarop het "volk' citeert. Hij zegt, dat is zoveel als aanhalingstekens openen, en zegt ie, dat is aanhalingstekens sluiten. Meesterlijk. Maar goed, de verhalen van mijn moeder eindigden zelden; eigenlijk alleen dan wanneer de werkelijkheid zelf het slot gefourneerd had. Meestal werd het in plaats daarvan een licht verontschuldigend: enfin, soms uitgesproken als afijn, toen moest ik de winkel uit.

Ze had het slot niet meer kunnen bijwonen, tot haar spijt.

Bijna alle uit het leven gegrepen verhalen eindigen met zo'n afijn, en speciaal biografieën lijden er hevig onder. Maar waar was ik zelf nou ook weer gebleven? O ja: bij het moment waarop men besluit tot het vertellen van zo'n vliesdun voorval, zonder te weten of het houden zal. Een goed humeur is doorslaggevend voor de moed waarmee men plotseling wegschaatst.

Welnu, ik had dus twee lampjes gekocht, voor een plafondlamp. Hinderlijk, al maanden, dat die lamp 't niet deed, als begin- en eindlamp, om zo te zeggen, van het na de keuken bij iedereen meest geliefde vertrek in ons huis. En nu: zowaar, plotseling was er een superieure coördinatie geweest van dagelijkse boodschappen en langzeurende kwesties, en tevreden was ik op de terugtocht, met de twee lampjes.

Altijd twee; waarom, mag Joost weten. Ik hield ze in mijn linkerhand. In de rechter had ik, tot mijn zeer lichte ongenoegen het wisselgeld. Waarschijnlijk had ik de winkel te dynamisch verlaten. Ik had er een beetje spijt van, nu, dat ik het geld niet rustig even in mijn rechterzak had gestopt. Niet die van mijn jas, want dat kon al lopend ook best, maar die van mijn broek. Maar ik wou het niet in mijn jas hebben. En ik bevond het ongemak te klein om er nu nog halt voor te gaan houden. Wel probeerde ik de twee lampjes in mijn linker jaszak te wurmen, wat net niet ging. Dan had ik die hand namelijk even vrij gehad voor de manoeuvre met het wisselgeld.

Op de een of andere manier was ik net aarzelend de twee lampjes op mijn linkerhandpalm en het geld op mijn rechter aan het bekijken, toen ik een hoek bereikt had waar zelden veel voorvalt, maar op dit moment een oude Amerikaanse slee langzaam, buitengewoon langzaam de hoek om kwam. Die auto was bijna net zo aan het aarzelen en het slomen als ik. Vraagt u mij niet hoe het precies in zijn werk ging, maar door een stap opzij of zoiets - vaak is het een compleet raadsel hoe iets nu eigenlijk gegaan is, ook de kleinste kleinigheid blijkt dan van een verbijsterende gecompliceerdheid te zijn geweest -, door een stap opzij dus, misschien ook door een kleine tempowijziging van mijn kant, nou ja, grote god, ik weet gewoon niet waarom, maar daar viel als in een vertraagde film een van mijn lampjes terwijl de Amerikaan langzaam dichterbij kwam, en het lampje had het plaveisel nog niet bereikt (de geschiedenis speelt zich af in een Amsterdamse smalle binnenstadstraat waar de paaltjes zodanig zijn opgesteld dat lopen over de daardoor net niet langer voorhanden stoep door geen mens meer wordt beoefend), het lampje had het plaveisel nog niet bereikt, zeg ik, of daar reed met een snelheid van misschien twee kilometer per uur die slee erover heen.

Zachtjes kraakte het lampje in zijn kartonnen doosje.

Vaag hadden de twee mannen in de gedeukte en vuile auto iets in de gaten. Een beginnetje van een soort klein formaat opkomende woede wist ik te onderdrukken; ik zag de ongerijmdheid ervan in. Mijn voet werd uitgestoken en schoof het gekraakte geheeltje, waar wat stukjes lampeglas uit het doosje naar buiten keken, richting goot; en ik vervolgde, al te snel, vind ik achteraf, mijn tocht naar huis, met toch nog een benodigd lampje. Misschien had ik even stil moeten staan, het hoofd wat gebogen, de hoed die ik soms mis in de hand, om - op de maat van dit voorval - bijvoorbeeld twaalf seconden stilte in acht te nemen. Maar ik liep door alsof ik de twee lampjes gekocht had nou net met het oog op dit geheimzinnige offer, deze tweede penning.