Afghaanse facties praten, maar strijd gaat door

Het is ramadan, de islamitische vastenmaand. Voor de strijdende facties in Afghanistan een goede gelegenheid zich van hun beste kant te laten zien: sinds begin deze week praten ze in de Pakistaanse hoofdstad Islamabad over vrede. Volgens enkele factieleiders is een akkoord in zicht, dat een einde moet maken aan de onderlinge strijd van de mujahedeen die na de val van het communistische bewind van president Najibullah, in april 1992, ontbrandde.

In de Afghaanse hoofdstad Kabul werd gisteren door de manschappen van de facties in ieder geval geen rekening gehouden met de ramadan of de vredesbesprekingen: de gevechten gingen gewoon door, met, zoals steeds, doden en gewonden. Sinds begin dit jaar zijn in Kabul meer dan 1.000 mensen om het leven gekomen.

De onderhandelingen in Islamabad kennen een verloop zoals op het slagveld: stormachtig en grillig en vooral zonder enige zekerheid dat aan het geweld werkelijk een einde zal komen. Het voorlopige hoogtepunt was de aanwijzing, woensdag, van de 42-jarige Gulbuddin Hekmatyar, tot premier in een nieuwe, nog te vormen regering. Hekmatyars strijdgroep, de Hizb-i-Islami, ontpopte zich na april vorig jaar als belangrijkste aanstichter van geweld. Uitgerekend deze Hekmatyar zou nu premier worden, het lijkt onwaarschijnlijk, maar binnen de Afghaanse verhoudingen is veel mogelijk.

Hekmatyar moest voor zijn aanwijzing tot premier wel een belangrijke concessie doen door te accepteren dat Burhanuddin Rabbani nog anderhalf jaar president blijft. Rabbani, aanvoerder van de Jamiat-i-Islami, werd volgens Hekmatyar en andere partijleiders in december door middel van fraude tot president gekozen en door hen niet erkend. Hekmatyar erkent Rabbani nu wel als president en kreeg op zijn beurt gedaan dat er binnen acht maanden parlementsverkiezingen worden gehouden.

Ten minste, dat waren de afspraken op woensdag. Gisteren rezen de eerste problemen toen de verdere invulling van het kabinet ter sprake kwam. Hekmatyar zei dat de huidige minister van defensie, Ahmad Shah Massoud, voor hem onaanvaardbaar is en niet terug kan komen. Commandant Massoud, een Tadzjiek die zijn sporen heeft verdiend in de anti-communistische guerrillaoorlog, is een partijgenoot van Rabbani en een grote concurrent van Hekmatyar, die zelf Pathaan is. De twee mannetjesputters betwisten elkaar niet op inhoudelijke gronden, ze willen eenvoudigweg weten wie de sterkste is. Daarbij spelen de etnische tegenstellingen in Afghanistan, tussen Pathanen, Tadzjieken, Oezbeken en andere groepen, een grote rol. Ook wanneer Hekmatyar zijn zin zou krijgen en Massoud buiten de regering blijft, zal de commandant een factor zijn waar Hekmatyar niet om heen kan. En dat geldt ook voor de Oezbeekse generaal Rasheed Dostam, een bondgenoot van Massoud. Dostams militie, een beruchte vechtmachine, maakte begin vorig jaar nog deel uit van het regeringsleger van Najibullah, maar liep toen over naar de mujahedeen.

Het jarenlange islamitische verzet tegen de linkse regimes in Kabul - vanaf 1973 toen de "rode prins Daud' koning Zahir Shah verjoeg; vijf jaar later werd Daud vermoord door de communisten, die tot april 1992 zouden regeren, met Najibullah als laatste leider van 1986 tot 1992 - is steeds een onsamenhangend geheel geweest. De tientallen groeperingen wisselden hun aanvallen op het regeringsleger en de Sovjet-troepen, die tien jaar lang hun "Afghaanse broeders' een handje hielpen, af met bloedige vechtpartijen tegen elkaar.

De burgeroorlog in Afghanistan is sinds de terugtrekking van die Sovjet-troepen, in februari 1989 en de val van Najibullah, dan ook nauwelijks in hevigheid afgenomen. In augustus 1992 had de tot nu toe grootste onderlinge confrontatie plaats; toen kwamen zeker 2.500 mensen om het leven. Na een aantal "rustige' maanden, laaide de strijd in januari, met het aantreden van de "gekozen' president Rabbani, weer op.

De huidige verwoestingen in de Afghaanse hoofdstad zijn veel groter dan de schade die ontstond tijdens de oorlog tussen de communisten en de mujahedeen. Najibullah - die nog steeds in een VN-gebouw in Kabul vastzit - had Kabul destijds goed onder controle; de inwoners konden in redelijke veiligheid leven. Nu voelt niemand zich meer veilig; een derde van de anderhalf miljoen inwoners is inmiddels gevlucht en de meeste van de veertig ambassades zijn gesloten.

Afghanistan is de facto verdeeld in drie regio's, langs etnische lijnen. In het noorden heersen de Oezbeken en de Tadzjieken, in het zuiden en oosten de Pathanen, in het westen Afghanen die verwant zijn aan de Iraniërs. Een speciale rapporteur van de Verenigde Naties kwam in november tot de conclusie dat de regio's zelf ook weer zijn onderverdeeld in territoria; er zouden niet minder dan zestien verschillende regeringen bestaan.

Alleen de macht in Kabul is onbeslist en de stad vormt daarom het belangrijkste strijdtoneel. Een coalitiegenoot van Hekmatyar, de pro-Iraanse Hizb-i-Wahdat, heeft een groeiende invloed in Kabul. Aanplakbiljetten van wijlen ayatollah Khomeiny sieren winkels, bussen en vrachtwagens in de Afghaanse hoofdstad Kabul. Een Pakistaanse Afghanistan-deskundige sprak tegenover het persbureau Inter Press Service zelfs van een "Khmomeiny-revolutie'.