AANPAPPEN MET DE INBOORLINGEN

Het einde van een tijdperk. 130 jaar persoonlijke belevenissen van Nederlandse missionarissen samenstelling Marga Kerklaan 304 blz., geïll., Ambo 1992, f 39,50 ISBN 90 263 1205 9

In 1963, op het hoogtepunt van de missiewerken, had de Nederlandse Kerkprovincie negenduizend missionarissen in de wereld rondlopen. Dertig jaar later is dat aantal gedaald tot een kleine drieduizend, met een gemiddelde leeftijd ver boven de vijfenzestig.

Nieuwe aanwas blijft uit, dus over nog eens dertig jaar kan niemand het verhaal van de missie navertellen. Het was dus bijtijds dat journaliste en documentairemaakster Marga Kerklaan via de katholieke omroepbladen en missietijdschriften een oproep deed aan (oud)missionarissen en hun familieleden om verslag te doen van hun ervaringen. Er kwamen honderdtachtig reacties, mondelinge en schriftelijke, soms ontstonden complete correspondenties.

Zes jaar geleden maakte Kerklaan eveneens voor de KRO een opmerkelijke documentaire over katholieke vrouwen van na de oorlog, eveneens met een weerslag in boekvorm. Ook Het einde van een tijdperk. 130 jaar persoonlijke belevenissen van Nederlandse missionarissen heeft als doel inzicht te verschaffen in de mensen achter de statistieken, hun herkomst, hun drijfveren, hun belevenissen, en hoe men op de eigen belevenissen terugkijkt. Door deze invalshoek is het boek een wezenlijke aanvulling op de geschiedenis van de missie, zoals die al geboekstaafd is, te meer daar men verhaalt met de openheid die onze tijd kenmerkt.

De missie vanuit Nederland kwam aan het eind van de vorige eeuw op gang, als sluitstuk van de katholieke emancipatie. Met de nieuwe grondwet van 1848 werd de Wet op de Verenigingen afgeschaft, waardoor religieuze orden en congregaties weer werden toegestaan, en met de herinstelling van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 kon de rooms-katholieke kerk zijn instellingen in Nederland legaal vestigen en verstevigen. De katholieke emancipatie werd voortvarend aangepakt en binnen de kortste keren stond er een schier onwankelbare zuil, inclusief missiecongregaties, vierentwintig manlijke en ""zelfs God weet niet hoeveel'' vrouwelijke.

Het uitdragen van het evangelie is inherent aan het christelijke geloof, maar het succes van de missie ligt toch in de grondige organisatie en de intensieve propaganda. De zweem van romantiek en heldendom werd in de missiebladen en films uitvergroot en de pioniers boden uitstekende stof tot kopij en filmmateriaal. Een deel van deze onverveerde mannen waren oud-zouaven, strijders voor de paus en de kerkelijke staat in de oorlog tegen Garibaldi, met hun mooie uniformen en trossen medailles zeer tot de verbeelding sprekende figuren. Menig jongenshart werd zo gestolen tijdens filmvertoningen in het parochiehuis.

"WAT KOST DAT?'

Soms ook werd er ronduit geronseld, zo blijkt uit het verhaal van een pater: ""Bij ons thuis waren we geabonneerd op De Bode van de H. Familie. De broeder die daar geld voor op kwam halen vroeg een keer aan mijn moeder: "Moeder, je hebt zoveel jongens, mogen wij er daar één van hebben om missionaris te worden?' "Wat kost dat?', vroeg mijn moeder. Ik meen dat het kostgeld zoiets van 250 gulden per jaar was, maar de helft zou worden kwijtgescholden. Daardoor mocht ik gaan studeren en werd dus, min of meer bij toeval, pater van de H. Familie. Wat niet wil zeggen dat ik later niet heel veel van die congregatie ben gaan houden.''

Kinderrijke gezinnen (""Ik ben er één van achttien'' klinkt het regelmatig in dit boek) waren de belangrijkste kweekvijver, doorgaans uit middelbare en lagere sociale milieus. Veel perspectief konden de ouders hun kinderen vaak niet bieden en "de missie' betekende ten minste een opleiding; "studeren' was een toverwoord. Toch heeft ook meer dan een jongeling zijn ouders tot wanhoop gedreven als hij zijn verlangen naar de missie kenbaar maakte, want de opleidingen waren niet goedkoop en de benodigde uitzet omvangrijk. De missionarissen worden wel de ""goedkope paters'' genoemd, maar dat is dan vanuit het perspectief van de kerk. Aan de opleiding van "wereldheren' was de kerk meer geld kwijt, maar dat waren ook baantjes voor welgestelde jongelieden-met-een-roeping.

Erg praktijkgericht waren de opleidingen op de seminaries overigens niet. Oud-missionarissen waren er niet bij betrokken, want die bestonden aanvankelijk niet; men bleef in den vreemde tot de dood aan toe. De theologische vorming stond voorop en voor de rest gold het adagium: ""Je leert het daar wel.'' Slechts op enkele seminaries ging aandacht uit naar technische vaardigheden, want juist in de missie zouden de pupillen hun handen moeten laten wapperen. Doorgaans toch was de opleiding zwaar en verre van werelds. Men onderging het onderdanig en gehoorzaam, ""omdat ze niet beter wisten en oprecht dachten dat het zo moest om een goed missionaris te worden''.

Goed voorbereid werden aspirant-missionarissen niet, ze waren vaak zo groen als gras, hadden voordat ze naar het seminarie togen zelden hun dorp verlaten en nu moesten ze dan naar de uithoeken van de aarde. Welke hoek, dat hoorde men vaak pas een uur na de priesterwijding. ""Het is een Godswonder dat er nog zoveel van die wereldvreemde mensen op hun bestemming zijn aangeland'', aldus een respondent in Het einde van een tijdperk. Die willekeurige toewijzing van de te kerstenen gebieden stond haaks op de grondige organisatie: er hebben heel wat mensen vloeiend Frans geleerd om vervolgens in een Engels mandaatgebied terecht te komen.

SLAVENHANDEL

De Nederlandse koloniën waren aanvankelijk gereserveerd voor de zending waardoor de missie zich noodgedwongen vooral op het jonge Afrikaanse continent richtte. Het was een zeer onrustig gebied: door de kolonisatie en de tot laat in de vorige eeuw aanwezige slavenhandel waren talloze volkeren op drift en zonder huis en haard. Als de missionaris er per stoomboot, reguliere caravaan, pieremachocheltjes en inlandse dragers te bestemder plaatse kwam, begon zijn eerste taak: het vervaardigen van een eigen hutje, een kerkje, een schoolgebouwtje. (""Wat we er deden? Wat alle generaties deden: bouwen!'', herinnert een missionaris zich in het boek). Er moest een oord van vrede en vriendelijkheid gesticht worden in de jungle. En dan maar aanpappen met de inboorlingen.

De missionarissen vertrokken officieel om ""hulp te bieden aan de meest verlaten zielen'', maar de beweegreden was meestal eerder maatschappelijk dan religieus. Bovendien bleek onder de tropenzon de waarheid van de kerk erg betrekkelijk en ook lastig over te brengen: ""Het is niet gemakkelijk een catechismus met zijn abstracte termen goed in een taal weer te geven waar men nog niets van kent'', zo schreef een pionier. Overigens bestond de missie niet alleen uit priesters, maar ook uit (vrouwelijke) religieuzen en (leke)broeders.

""Als we de mensen daar maar van hun angsten afhelpen, dan doen we al veel'', motiveerde één Afrika-ganger zijn onderneming. Maar dat veronderstelde wel een vertrouwelijk verkeer en het vermogen duidelijk te maken dat men met goede bedoelingen kwam. Het overwinnen van taalbarrières was voor de eerste generaties de voornaamste taak: voor de wetenschap èn voor hun opvolgers hebben velen zich toegelegd op het vastleggen van de inheemse talen en het opstellen van woordenboekjes. En als de basis van vertrouwen en taalkennis was gelegd, kon worden begonnen met scholing, zorg voor hygiëne, betere huizen, betere voeding.

De kerstening kwam pas als laatste aan bod. Sommige congregaties hadden duidelijke instructies: de eerste vier jaar géén dopen, tenzij op verzoek en op een sterfbed. Het behoorde overigens wel tot het takenpakket een beetje gemotiveerde en overtuigende zielen te vinden, maar dat viel niet altijd mee. In sommige streken van Afrika bestond al een monothesme en daar was ""de inplanting van de kerk'' relatief het gemakkelijkst. Vaker echter gedoogden de missionarissen het voortbestaan van voorouderverering en offers aan bosgoden, en meer dan eens liepen de pogingen tot kerstening uiteindelijk op niets uit. Anderzijds voelde degenen die naar Zuid-Amerika werden gestuurd om het priestertekort op te vangen zich een beetje misbruikt als "sacramentsboer', want wat van hen werd verwacht was: dopen, heilige missen opdragen, biecht horen, huwelijken inzegenen en begraven.

TALLOZE ZIEKTEN

Afrika heeft de missie de meeste problemen opgeleverd en de meeste mensenlevens gekost, niet alleen door de talloze ziekten waar blanken niet tegen konden maar vooral door inlanders en opstandelingen. Een deel van de catastrofes was het gevolg van westers denken. Zo richtten de missionarissen zich voornamelijk op de mannelijke bevolking om het werk te doen, in plaats van op de vrouwen, die in grote delen van Afrika de economie draaiend houden. Na een moordpartij op enkele missionarissen verontschuldigden de daders zich als volgt: ""Sedert de blanken hier zijn, moeten wij arbeiden en wij willen liever ons vroeger leven in het bos ongestoord verder leiden.''

Soms volstond vindingrijkheid, maar vaker was doorzettingsvermogen en inspanning vereist om tot een hogere levensstandaard te komen of toch tenminste tot een meer op westerse leest geschoeid leven. Van meet af aan was het een taak voor de missie ""zichzelf overbodig te maken'' en een plaatselijke clerus op te leiden. Dat lukte, maar leidde wel tot een euvel dat zo oud was als de kerk zelf: het verwarren van het ambt met rijkdom. De eerste zwarte priesters waren net zulke nepotisten als kardinalen uit de renaissance. Dat was een diepe teleurstelling voor de missionarissen die zelf zolang in armoede hadden doorgebracht. Zij waren inmiddels het aardse al voorbij, maar moesten zien dat de oogst van hun geestelijk zaaisel materialistisch was als de pest. Overigens is anno 1993 de zwarte clerus geheel gelouterd van deze uitwassen.

De missie kreeg in Afrika zware klappen met de dekolonisatie en de gevolgen daarvan. De nieuwe tijd, maar ook communistische regimes, burgeroorlogen en ongeregelde bendes vergen tot op de huidige dag hun tol. ""Afrika is wreed geweest voor degenen die haar het geluk wilden brengen,'' mijmert een oudmissionaris in Het einde van een tijdperk. Desondanks is de missie erin geslaagd een autochtone clerus te vormen en bijna de helft van de ongeveer 300 miljoen Afrikanen beschouwt zichzelf als katholiek. De statistiek van het Vaticaan houdt het trouwens op eenderde. Ondanks vervolgingen, zoals in Zuid-Soedan, is de Afrikaanse kerk sterk en levendig. En dat is, zo suggereert dit boek, mede dank zij de inventiviteit van de missie: ""In de praktijk kwamen we voor problemen te staan waar zelfs koning Salomon geen weg mee had geweten.''

"ZO'N JONGEDAME'

Eén van die problemen was de maar al te pijnlijke vraag die rees in het derde kwart van deze eeuw: ""Wat doen jullie westerlingen zelf met jullie geloof?'' De kwestie van de morele grondslag, die in het begin van de missie niet eens gesteld werd, drong zich nu op. De geloofsafval gaf ruimte voor kritische vragen elders, maar leidde hier tot een dramatische afname van roepingen, zeker voor de missie. In Latijns Amerika kwam er naast het woord van Rome de bevrijdingstheologie, hier kwam er vooral een grote leegloop van de congregatie. ""Het leek meer op leegrennen'', en, ""Als je eigen provinciaal uittreedt of je novicenmeester, die je allemaal vrome dingen aan heeft zitten praten, en je ziet die dan met zo'n jongedame ervandoor gaan, dan ga je toch denken: Wat zit ik hier eigenlijk te doen?'', zo klinkt de vertwijfeling in dit boek nog steeds door.

De seminaries werden opgedoekt, de congregaties verdwenen. Wat ervoor in de plaats kwam, was het instituut "Kontakt der Kontinenten' te Soesterberg, waarvan alleen de spelling van de naam al niet veel goeds beloofde. Eén missionaris erover, die het instituut bezocht op applicatiecursus: ""Ik ben ook op die cursus in Soesterberg geweest. Er werden dingen verkondigd waar de meesten het helemaal niet mee eens waren. (...) Die cursussen begonnen om 's morgens half negen en gingen door tot elf uur 's avonds. (...) Bij de mensen die les gaven zat geen grein missionair elan. Toen ik terugkwam in Oeganda vroegen de pastoors: "Ben jij nou ook verlicht?' Ik zei: "Mij schoffelen ze zo gauw niet onder'. Maar sommige waren zo gehersenspoeld dat er niet meer mee te werken viel.''

Het episcopaat had blijkbaar geen vat meer op de missie en er denkelijk ook geen belangstelling meer voor, en dat is wederzijds. Op de vraag aan een missionaris of hij na zijn 65ste teruggaat naar Nederland is het antwoord resoluut: ""Geen sprake van.'' Omdat zijn beroep uit de mode is, de godsdienst - die voor hem zoveel betekent - uit de tijd is, en hem hier enkel een rusthuis wacht, waar de verhalen als gezever afgedaan zullen worden. Hij blijft, en als zijn missiepost gevoel voor traditie heeft, zal ook op zijn grafkruis de tekst staan, zoals die voor missionarissen gemaakt is: ""Een goede herder geeft zijn leven.''