Zonder kennis is vrijheid niet mogelijk; De levens van Belle van Zuylen en markies de Condorcet

Qua karakter was Belle van Zuylen meer in de wieg gelegd voor groots en meeslepend leven dan de verlegen, onhandige markies de Condorcet. Maar de omstandigheden en het tijdperk beslisten anders. Belle trok zich net voor de Franse Revolutie terug in een klein Zwitsers plaatsje, terwijl Condorcet zich ontwikkelde van filosoof tot revolutionair. Onlangs verscheen van beide achttiende-eeuwers een biografie.

Elisabeth en Robert Badinter: Markies de Condorcet. Vertaald door Frans de Haan. Uitg. Van Oorschot, 656 blz. Prijs ƒ 69,-, gebonden ƒ 89,-.

Simone en Pierre H. Dubois: Zonder vaandel. Belle van Zuylen - een biografie. Uitg. Van Oorschot, 856 blz. Prijs ƒ 75,-, gebonden ƒ 99,-.

In Parijs hebben ze elkaar ongetwijfeld ontmoet. Belle van Zuylen bracht anderhalf jaar in de Franse hoofdstad door in de woelige jaren kort voor de Revolutie, toen in alle gezaghebbende salons gesproken werd over de vorm die de toekomst moest krijgen. Ze bezocht er, net als markies de Condorcet, regelmatig de salon van Mme Suard, en waarschijnlijk ook de in die tijd snel in aanzien stijgende salon van de Condorcets zelf. Benjamin Constant, die ze in Parijs leerde kennen, verbleef bij de Suards en was een geregelde bezoeker in het huis van Condorcet.

De naam van Condorcet komt voor in het register bij de zojuist verschenen biografie van Belle van Zuylen. Het omgekeerde is niet het geval in de gelijktijdig uitgekomen biografie van Condorcet. Dat is, bij alle overeenkomsten, tekenend voor het verschil tussen hun beider levens. Belle ontmoette en kende veel van de hoofdrolspelers in deze voor Europa cruciale jaren, maar besloot in de zomer van 1787 zich terug te trekken in "haar hol' in het kleine Zwitserse Colombier. Voor Condorcet lag de overstap van theorie naar praktijk, van filosoof naar politicus, in deze zelfde periode zo voor de hand dat zijn naam voorgoed verbonden is gebleven met de in talloze studies en geschiedenisboeken beschreven ontwikkelingen tussen 1788 en 1793. Qua karakter was Belle misschien nog wel meer in de wieg gelegd voor groots en meeslepend leven dan de verlegen, onhandige Marie Jean Antoine Nicolas Caritat de Condorcet. Maar de omstandigheden en het tijdperk beslisten anders.

Ze waren tijdgenoten en leeftijdgenoten: Isabella van Tuyll van Serooskerken werd in oktober 1740 geboren op slot Zuylen bij Utrecht, Condorcet drie jaar later, in september 1743, in het Picardische Ribemont. Ze waren beiden van adel, en kozen tegen hun afkomst in voor een nieuwe maatschappelijke orde. Ze hadden veel gemeen in hun opvattingen; over maatschappelijke rechten voor iedereen, ongeacht religie, sekse, huidskleur of sociale herkomst, en over geestelijke vrijheid. Niet voor niets is een van Belles meest geciteerde uitspraken: “Ik vraag geen vrijheid van denken, ik hèb die.”

Het is opmerkelijk dat beide biografieën door een echtpaar zijn geschreven; en in beide gevallen een schrijversechtpaar waarvan de man en de vrouw over het algemeen apart publiceren. Elisabeth Badinter, filosofe en feministe, is bekend door ook in het Nederlands vertaalde publikaties als De mythe van de moederliefde en De een is de ander. Robert Badinter, die als minister van Justitie in 1981 de doodstraf in Frankrijk afschafte, heeft verscheidene publikaties op zijn naam staan over de mensenrechten, en over de emancipatie van de joden ten tijde van de Franse Revolutie.

Passie

Simone en Pierre Dubois mogen bij het Nederlandse lezerspubliek genoegzaam bekend worden verondersteld. In 1969 verscheen van de hand van Simone Dubois Leven op afstand, het eerste uitvoerige biografische geschrift over Belle van Zuylen in het Nederlands. De belangrijkste aanzet tot een levensbeschrijving tot dan toe was gegeven door de Zwitser Philippe Godet, met het in 1906 verschenen Mme de Charrière et ses amis. De flaptekst van Leven op afstand droeg een veelzeggend onderschrift: Met dit boekwerk deed de schrijfster haar eerste poging om Belle van Zuylen nader tot het Nederlandse publiek te brengen. Ruim twintig jaar later blijkt dat een treffende karakteristiek. Belle van Zuylen werd Simones passie voor de rest van haar leven, een passie waar ook haar man Pierre steeds meer bij betrokken raakte. Een steeds weer herdrukte selectie uit Belles brieven in de reeks Privé Domein (Rebels en beminnelijk), vele artikelen, een Genootschap Belle van Zuylen-Isabelle de Charrière waarvan zij na vele jaren bestuurslidmaatschap erelid werden, en bovenal de bezorging van de Oeuvres complètes, tien dundrukdelen met alles wat er tot op heden aan geschriften van en aan Belle is teruggevonden en met een schat aan wetenschappelijk gefundeerde annotaties, getuigen daarvan. Als kroon op dit alles is nu de reeds zo lang voorgenomen "definitieve', allesomvattende biografie verschenen, Zonder vaandel.

De auteurs willen zelf overigens het woord "definitief' niet gebruiken, omdat, zeggen zij, er ook andere invalshoeken voor het schrijven van een biografie mogelijk zijn dan die zij hebben gekozen. Maar deze biografie is wèl de uitkomst van alles wat is gelezen, nagespeurd in de archieven, geschreven en bespiegeld in de afgelopen vijfentwintig jaar.

“Wat ons voor ogen staat”, schrijven zij in hun inleiding, “is wat het eenvoudigst lijkt maar misschien het moeilijkst is, namelijk waar het kan uit de teksten zelf haar en de personages met wie haar leven verbonden was laten spreken, hen laten zeggen en denken wat zij dachten en zeiden, ons beperkend tot het schetsen van kaders en achtergronden waarin en waartegen zij zich bewogen, interpreterend waar onze interpretaties in de richting gaan van wat wij voor de waarheid van het personage houden, corrigerend wat niet in overeenstemming is met de controleerbare feiten.” Godet belichtte in zijn biografie indertijd - begrijpelijkerwijs - vooral de Zwitserse jaren van Belle van Zuylen, en daarmee maar een deel van haar leven; maar bovendien interpreteerde hij de brieven en geschriften waarover hij beschikte ook vanuit zijn moralistische laat-negentiende eeuwse opvattingen. Met het "schetsen van de kaders en de achtergronden' beogen de Dubois' een dergelijke fout te vermijden. Sommige hoofdstukken zijn daardoor uitgegroeid tot uitvoerige beelden van een tijdperk, zoals de beschrijving van de Verlichting in het eerste hoofdstuk. Met de verschillende betekenissen die in de tijd zelf aan de term werden gehecht, de fase- en accentverschillen in diverse Europese landen zetten de auteurs zonder zwaarwichtigheid een decor neer waarbinnen het denken en doen van Belle van Zuylen een inzichtelijk historisch fundament krijgen. Ook de politieke en maatschappelijke verhoudingen in de Republiek der Verenigde Provinciën tussen 1750 en 1800, voor de meeste Nederlanders een periode waarvan zij alleen het woord Goejanverwellesluis hebben onthouden, leveren een fraaie achtergrondschets op. In heldere bewoordingen wordt de verhouding tussen regentenpatriotten, burgerpatriotten en Orangisten geschetst, en vervolgens wordt "ingezoomd' op Belles oudste broer, Willem van Tuyll, die zowel door zijn opvattingen als door zijn huwelijk klem kwam te zitten tussen beide partijen. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen van gerichte historische, filosofische en literair-theoretische beschouwingen. Ze maken de biografie tot een mooie, evenwichtige combinatie van feiten, citaten en achtergrondbespiegelingen.

Spitwerk

Dat de gevolgde werkwijze een enkele maal, met name in de paragrafen die voor het overgrote deel op brieven zijn gebaseerd, leidt tot wel erg veel details en uitgesponnen verslagen die voor het verhaal niet altijd relevant lijken, is daarbij een kanttekening van ondergeschikt belang. Belle van Zuylen heeft de biografie gekregen die ze verdient. En dat is geen gering compliment, wanneer men de kenschets onderschrijft die de auteurs in de inleiding geven: “Haar uitzonderlijkheid als schrijfster is dat zij zich meer dan enige vrouw in onze achttiende eeuw, en meer dan de meeste vrouwen in het Europa van toen, in haar brieven heeft uitgesproken met een ongekende openhartigheid over juist al die zaken die voor de zingeving aan het leven - of de twijfel daaraan - van doorslaggevend belang zijn.” Dat het levensverhaal nauwelijks nieuwe feiten bevat, is niet verwonderlijk na al het graaf- en spitwerk dat is verricht voor de Oeuvres complètes. Vermeldenswaard is dat de biografen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid menen te hebben ontdekt wie de mysterieuze, Zwitserse geliefde uit de jaren 1780-1785 was. Naar diens naam was vruchteloos gegist sinds Benjamin Constant van zijn bestaan melding had gemaakt in zijn fameuze Cahier rouge. Maar dat soort ontdekkingen is vooral opwindend voor wie voortdurend dicht op het onderwerp zit, meer dan voor de lezer. De Dubois' zijn overigens de eersten om dat toe te geven; de opheldering van het mysterie wordt vooral van belang “als men weet dat deze ervaring de impuls is geweest die haar tot de keuze heeft gebracht voor een leven dat aan het schrijven gewijd zou zijn”.

De biografie van Condorcet heeft, net als Zonder Vaandel veel annexen: een chronologie/tijdtafel, een genealogie, een personenregister, een notenapparaat, een bibliografie en nog zo wat. Al deze annexen zijn met zorg samengesteld en uitgegeven, en bieden alle benodigde informatie; maar wat de lezer ernstig mist, althans bij de paperbackuitgave, is een leeslintje. Onder het lezen een noot raadplegen is een ingewikkelde en tijdrovende bezigheid, die daarom vaak zal worden overgeslagen. En dat is jammer. Bij Condorcet ben ik begonnen met het lezen van de tijdtafel. De context is daarmee gezet; de context van een tijd die spannend begint en letterlijk levensgevaarlijk eindigt, en die grosso modo in drie perioden is te verdelen: de tijd vóór de Revolutie, de (eerste) Revolutie zelf, en de Terreur. De tijdtafel laat zien hoe de geschiedenis in een stroomversnelling raakte waarin niemand meer de ontwikkelingen van morgen kon voorspellen, en waarin niemand zijn leven nog zeker was. De spraakmakende personen uit de periode van voor de revolutie hebben veelal dezelfde carrière doorlopen: van criticus naar autoriteit, van autoriteit naar slachtoffer.

Veel van hun namen zijn bekender - zeker in Nederland - dan die van Condorcet. Toch is hij uiteindelijk een van de weinigen wiens denkbeelden de eeuwen overleven. “Condorcet is de man van het bicentenaire, de herdenking na 200 jaar”, schreef Magazine littéraire in het najaar van 1988. “Hij is een man van deze tijd.” Hoe frappant is de overeenkomst met wat Simone en Pierre Dubois schrijven over Belle van Zuylen: “(-) niemand kan er zich over verbazen dat zij door zovelen die haar lezen herkend wordt als een vrouw van onze tijd.”

Wat maakt Condorcet tot "een man van deze tijd'? Niet zijn jeugd, waarin hij tot zijn negende jaar, als enig kind, bijna als een meisje door zijn moeder werd opgevoed, nadat zijn vader kort na zijn geboorte was omgekomen. De overgang naar het strenge jezuëtencollege in Reims, waar hij van zijn elfde tot zijn vijftiende jaar verbleef, moet een grote schok zijn geweest. “De drie sleutels van hun opvoedingssysteem”, schrijft Elisabeth Badinter, “waren voortdurend toezicht, het tot bestuursbeginsel verheven klikken en ten slotte de grootscheepse toepassing van lijfstraffen.” Gevoegd bij de hypocriete seksuele moraal van deze religieuze mannengemeenschap zal zijn kostschooltijd hem een levenslange afkeer van de clerus bezorgen.

De toekomst in het leger, die voor de hand lag vanwege zijn adellijke achtergrond, wijst hij na zijn studie in Parijs vastbesloten af. Condorcet is gegrepen door de wiskunde en kiest voor een wetenschappelijke loopbaan. Zijn familie klaagt steen en been. De wetenschap staat niet in aanzien en levert niets op. Maar Condorcet houdt koppig vast aan zijn voornemen. Op 10 april 1769 kan zijn leermeester d'Alembert eindelijk aan een van zijn andere discipelen schrijven: “U heeft misschien in de gazetten gelezen dat we Monsieur de Condorcet hebben ontvangen, nu de familie het juist heeft geoordeeld geen hindernis meer op te werpen tegen zijn toetreding tot de Academie (van wetenschappen), want veel van onze edelen menen dat de naam en het beroep van geleerde afbreuk doet aan de adel.” Zeven jaar later zou Condorcet tot secretaris voor het leven van deze Academie worden benoemd. In het jaar daarvoor is hij bovendien inspecteur van de Rijksmunt geworden. Hij is bevriend met Voltaire, d'Alembert en Turgot, en heeft banden met de briljantste geesten van zijn tijd. De salon van zijn vrouw, Sophie de Grouchy, was ontmoetingspunt geworden van de filosofen en geleerden van het verlichte Europa. Adam Smith, Jefferson en Thomas Paine ontmoetten hier elkaar, evenals Chamfort, La Fayette, Beaumarchais, Benjamin Constant en vele anderen.

Maar deze man van de Rede is ook een man die bezeten is van gerechtigheid. Hij verheft zijn stem tegen alle gerechtelijke dwalingen van het einde van het Ancien Régime. Als "Ami des Noirs' bestrijdt hij de slavernij en de slavenhandel. Als vriend van de protestanten en de joden strijdt hij voor de erkenning van hun burgerrechten. En hij is de enige die voor vrouwen een volledige gelijkheid van rechten bepleit. “Dat hartstochtelijke verlangen naar rechtvaardigheid zal de rustige filosoof tot een revolutionair maken.”

Doodstraf

Zo stortte deze geëngageerde intellectueel zich vanaf het begin van de Revolutie in de politieke strijd. Maar “zelfs in de politiek (zal hij) altijd een intellectueel blijven”. In de tijd van de Constituante is hij een van de eersten die zich, op zuiver rationele gronden, uitspreken voor de republiek. Zijn strijd tegen de slavernij levert hem onverzoenlijke vijanden op, vanwege de grote economische belangen die daarmee zijn gemoeid. Als afgevaardigde naar de Législative legt hij zijn beroemde plan voor het Openbaar Onderwijs voor, dat pas een eeuw later de inspiratiebron zal zijn voor de stichters van de Republikeinse School. Als afgevaardigde naar de Conventie stemt hij, als overtuigd abolitionist, tegen de doodstraf voor de koning; en hij stelt het meest democratische ontwerp voor een grondwet op dat tot op heden is opgesteld.

Alle keren delft hij het onderspit. Een dergelijke onafhankelijke positie kan bovendien in de jaren waarin de Revolutie ontaardt in Terreur, niet goed aflopen. Met een geschrift waardoor Robespierre zich aangevallen voelt, tekent hij zijn vonnis. Condorcet weet nog ruim een jaar onder te duiken op een schuiladres in Parijs. Hij schrijft in die tijd zijn intellectuele testament: Esquisse d'un tableau historique des progrès de l'esprit humain. “Anders dan in de filosofie van de talrijke volgelingen van Rousseau wordt gesteld, is niet de algemene wil, maar de Rede de drijvende kracht achter de menselijke vooruitgang, die niet alleen maar een verwachting is. (-) Het is de rol van de filosoof en van de geleerde, door de verbreiding van de Verlichting en door de ontwikkeling van het openbaar onderwijs, aan die vooruitgang een bijdrage te leveren, de loop ervan te versnellen. (-) Daaruit vloeit voor de politicus voort dat hij twee begrippen moet realiseren: vrijheid en gelijkheid. De instituties hebben slechts waarde voor zover ze de eerbiediging van de Rechten van de mens waarborgen: dat is gelijkheid. Een samenleving heeft slechts waarde voor zover ieder mens er in het volledige genot van zijn rechten is: dat is de vrijheid.”

Eerherstel

Uiteindelijk wordt Condorcet toch gearresteerd en gevangen gezet in Bourg-la-Reine, waar hij op 29 maart 1794 dood in zijn cel wordt aangetroffen. Onmiddellijk na de val van Robespierre volgde het postume eerherstel. “Dat was”, schrijven de Badinters, “het leven van deze geëngageerde intellectueel die in de politiek uiteindelijk faalde, maar wiens denken deel uitmaakt van het erfdeel van de Republiek.” De term Republiek is in deze context, als tegenpool van de erfelijke monarchie, synoniem met vrijheid en democratie. Het belang van Condorcets biografie is daarom breder dan dat van de levensbeschrijving van een boeiend en vooraanstaand man, breder ook dan een gedetailleerde beschrijving van de Franse Revolutie en haar voorgeschiedenis. Die gedetailleerde beschrijving is voor de hedendaagse Nederlandse lezer nu en dan zelfs eerder vermoeiend dan verrijkend. Dat doet echter geen afbreuk aan de inzichten waaraan dit boek mede zijn waarde ontleent. Zoals het besef dat de idee van de "maakbaarheid van de samenleving' in hoge mate een idee is van de Verlichting. De Kamer van de Adel in de Staten-Generaal nam in 1789 een amendement aan waarin werd bepaald dat “het veto van een van de standen niet kan worden uitgesproken tegen de vervaardiging van wetten die het geluk van de Natie betreffen”. Met name economische, politieke en juridische wetten moesten naast het onderwijs vrijheid en gelijkheid garanderen. Het ontwerp dat Condorcet als rapporteur van de Commissie voor het Openbaar Onderwijs in april 1792 voorlegde, gaf blijk van een visionaire blik. De filosoof was al heel lang van mening dat onwetendheid en obscurantisme net zo min als absolute waarheden te verenigen zijn met vrijheid. “Omdat het onderwijs de mens helpt vrij te worden, "hebben wij gemeend dat het onze eerste zorg moest zijn het onderwijs enerzijds zo gelijk, zo universeel, anderzijds zo volledig te maken als de omstandigheden toestaan'. Het moet een ieder niet de natuurlijke gelijkheid schenken, want die bestaat niet, maar gelijke kansen op kennisverwerving.” En dus bepleitte de commissie gratis toegang tot het onderwijs voor jongens en meisjes, voor jongeren en ouderen, voor armen en rijken. Omdat het openbaar onderwijs bij uitstek het instrument moet zijn voor de vrijmaking van de menselijke geest, moest het gevrijwaard zijn van iedere vorm van dogmatisme en openstaan voor het kritisch verstand; vandaar de beginselen dat het in politiek en in religieus opzicht neutraal moest zijn, en dat het “moet aandurven alles te onderzoeken, alles ter discussie te stellen, zelfs alles te onderwijzen”. Condorcet is consistent in zijn doelstelling van het onderwijs: niet gericht op rechtstreeks economische doelstellingen, maar op de vrijheid van de menselijke geest, de vrijheid die nodig is voor een democratie die deze naam waardig is. Zijn biografie laat de overgang zien van een oude elite - gebaseerd op geboorte, op vrijheid voor enkelingen en onveranderbare maatschappijstructuren - naar een nieuwe, gabaseerd op een systeem dat allen de kans op vrijheid, politieke zeggenschap en maatschappelijke mobiliteit bood. Een "democratisch elite-denken', zoals een andere Condorcet-biograaf, Keith Baker, het zo treffend verwoordt: het gaat niet alleen om de kennis oordeelkundige beslissingen te nemen, het gaat er ook om dat die begrijpelijk zijn. En dat vereist spreiding van kennis tot ver buiten de kleine kring van deskundigen.

De geschiedenis is ons collectieve geheugen: wie niet weet waar hij vandaan komt, weet ook niet waarheen hij op weg is en waarom. In een tijd van zoveel "denktanks', liefst ook nog "dicht bij de mensen', lijkt het goed nog eens een helder licht te werpen op de oorsprong van het streven naar kennis en onderwijs, op de motieven tot het uitbannen van obscurantisme en dogmatiek. Markies de Condorcet en Belle van Zuylen, die elkaar na tweehonderd jaar opnieuw ontmoeten bij uitgeverij Van Oorschot, hebben ons nog veel te zeggen.