Zomer van onzekerheid

TUSSEN DE KILLE DAGEN van maart en de herfst van Prinsjesdag ligt nog een zomer van onzekerheid.

Het volgende jaar begint pas over tien maanden, maar de discussie in Den Haag is inmiddels geopend over de uitgangspunten voor de begroting van 1994. Dat belooft een begroting met een hoog gehalte aan politieke gevoeligheid te worden: begin 1994 vellen de kiezers hun oordeel over de prestaties van het kabinet Lubbers-Kok. Wisselgeld om de stemming in het land te beïnvloeden heeft het kabinet niet, want de speelruimte voor leuke dingen is door de nationale en internationale conjuncturele neergang van de economie ingeperkt.

Het kabinet van CDA en PvdA staat opnieuw voor ombuigingen, maar de omstandigheden zijn anders dan in de voorafgaande jaren waarin de economische groei onvoldoende werd benut om in snel tempo de overheidsfinanciën op orde te brengen. Voor het eerst sinds 1982 moet een kabinet bezuinigen in een stilstaande economie. Dit betekent dat de belastingopbrengsten tegenvallen en de uitgaven als gevolg van de stijgende werkloosheid hoger zijn. Bezuinigen is in dit geval niet minder méér, maar gewoon minder. Bovendien heeft ook dit kabinet de gewoonte om de resultaten van ombuigingen zonniger in te boeken dan ze in werkelijkheid zijn. Met als gevolg dat oude rekeningen open blijven staan en verwachte opbrengsten lager uitvallen of later binnenstromen.

Kok heeft hierdoor voor 1994 een probleem van ten minste 9 miljard gulden. Hij heeft ook nog een paar gaten te vullen in 1993 waarvoor eind vorig jaar geen deugdelijke dekking is aangegeven. Zowel Lubbers als Kok ziet dat de werkloosheid stijgt, dat de bruto loonkosten een probleem vormen en dat het kabinet de afspraken over de omvang van het financieringstekort en de collectieve lastendruk niet zal halen.

WAT TE DOEN? De vraag of een financieringstekort mag oplopen als gevolg van economische slapte werd een jaar geleden opgeworpen door de Verenigde Staten bij het Internationale Monetaire Fonds. De Amerikanen wilden toen stimuleren want de economie veerde niet op en de presidentsverkiezingen waren in aantocht, maar de Europese landen veegden Amerikaanse pleidooien voor soepelheid van tafel. De middellange-termijnstrategie van deugdelijke overheidsfinanciën bleef overeind. Op de bijeenkomst waar dit ter sprake kwam, april 1992, was Kok niet aanwezig - hij vocht toen in Den Haag voor het behoud van het kabinet in een politieke twist met Lubbers over de koopkracht.

Inmiddels zijn de Europese landen in een forse recessie beland en heeft dezelfde discussie zich naar Europa verplaatst. Bij zijn collega's in de EG heeft Kok steun gezocht voor de opvatting dat de conjuncturele tegenslag mag leiden tot een tijdelijk rekkelijke interpretatie van de harde criteria over de staatsfinanciën zoals die zijn neergelegd in het verdrag van Maastricht. Hij liep daarmee vooruit op plannen die in Nederland bestaan om over te gaan tot een structureel begrotingsbeleid na 1994. Dit komt er op neer dat mee- en tegenvallers als gevolg van de schommelingen in de economie zonder voortdurende lapmiddelen op de korte baan worden opgevangen. Maar dit is pas mogelijk als het tekort én de omvang van de staatsschuld eerst tot een aanvaardbaar laag niveau zijn teruggebracht. Dat is dit jaar en volgend jaar in Nederland niet het geval.

Bezuinigen in een neergaande conjunctuur betekent oplopende werkloosheid. Daarom heeft Kok vorige maand voorgesteld een “tandje minder” om te buigen. Inmiddels heeft het Centraal Planbureau uitgerekend dat een of twee miljard minder een verwaarloosbaar effect op de werkgelegenheid heeft. Beter is om aan de ombuigingen vast te houden en de lastendruk te verminderen. Dat schept, zoals in de jaren tachtig is gebleken, meer werk en Kok lijkt dit inzicht inmiddels te delen.

Naast rentedaling vormt de verkoop van het staatsbelang in de PTT de enige meevaller waarop de minister van financiën volgend jaar kan rekenen. Dat heeft tot een vinnig debatje met minister May-Weggen (verkeer) geleid, met als inzet de vraag of de nog niet verdiende PTT-miljarden worden gebruikt voor de infrastructuur of in de staatskas moeten vloeien. Kok kiest (terecht) voor vermindering van de staatsschuld, hoewel hij eerder - bij de oprichting van het aardgasfonds dat gevuld zal worden met, nog niet verdiende, meevallers bij de verkoop van aardgas - koos voor de infrastructuur.

DE HAAGSE VERWARRING vraagt om helderheid. Deze wordt geleverd door de nestor van de Nederlandse staatshuishouding, dr. Jelle Zijlstra. In een nog niet gepubliceerd rapport voor het CDA pleit Zijlstra voor een pas op de plaats bij de overheidsuitgaven na 1994.

De ruimte voor extra uitgaven moet volgens Zijlstra worden gevonden door op andere posten te bezuinigen. De financiële ruimte die ontstaat als de economische groei vanaf volgend jaar weer aantrekt en meer geld naar de overheid stroomt, moet worden gebruikt om de staatsschuld te verminderen en de collectieve lastendruk omlaag te brengen. Helderder kan haast niet.