Zelfs de crisis van Philips verkeert in crisis

EINDHOVEN, 5 MAART. Het onheil spaarde in de afgelopen drie jaar geen enkel facet van Philips. Overal was de malaise terug te vinden: in de dalende investeringen, de stijgende schuldenlast, het aantal ontslagen werknemers. Onlangs maakte het kwaad een nieuw slachtoffer: zelfs de crisis van Philips verkeert nu in moeilijkheden.

Bij eerdere onheilstijdingen hielden aandeelhouders hun hart vast. Het land veerde op: een ramp teisterde Eindhoven!

Hoe anders was het gisteren. De aankondiging van tussen 10.000 en 15.000 nieuwe ontslagen en een verlies over 1992 van 900 miljoen gulden viel als een baksteen in een zandbak. Plof. Verder niets. De beurs reageerde gelaten, handelaren hadden de ramp voorzien. Niemand meldde zich met een inzamelingsactie zoals die voor DAF werd gevoerd. Niemand ging op bedevaart. De noodklok heeft bij Philips al te vaak geluid; de problemen van het concern zijn zo immens dat ze ieder particulier initiatief al bij voorbaat lijken te smoren.

In 1990, toen verlies en ontslagen bijna vier maal zo groot waren, bood het concern zelf, in de persoon van Jan Timmer, in ieder geval nog enige houvast. Toen trok iedereen zich op aan de uitstraling van de man wiens postuur speciaal voor de gelegenheid geschapen leek, wiens schouders breed genoeg leken om de last van Philips te dragen. Behalve zijn postuur gooide Timmer destijds ook zijn rotsvaste geloof in betere tijden in de strijd. Ieder optreden getuigde van zijn vertrouwen in de honderdduizenden medewerkers, in het technologisch vernuft van de "company'. De saneringen gingen gepaard met vlammende betogen over een beter, efficiënter Philips, een organisatie waarin het aanwezige talent alle ruimte zou krijgen.

Die betovering van Jan Timmer is verbroken. Gisteren was zijn presentatie flets. Slechts korte, ter zake doende en vaak defensieve statements omlijstten de slechte cijfers. De karakteristieke bretels, altijd goed voor een opbeurende grap, bleven verborgen. De chicque rode das was tegen zoveel somberheid niet opgewassen.

De boodschap die Timmer moest brengen was dan ook bijzonder zuur. Het jaar dat eigenlijk het oogstjaar had moeten worden ontpopte zich als een rampjaar. Ook al tekende de crisis zich in de zomer al duidelijk af, Timmer bleef tot het laatst hopen dat de problemen beperkt zouden blijven. Mischien hield hij wel te lang vast aan die hoop: zelfs in het vierde kwartaal ontwikkelde de markt zich nog slechter dan de Philips-top al vreesde. Uiteindelijk was de crisis op de markt voor consumentenelektronica - de prijzen daalden er met zes procent - verantwoordelijk voor een torenhoog verlies. Alleen een harde sanering, waarvan de details pas later worden verstrekt, kan de zaak nog redden.

De malaise is van dien aard dat ze weinig ruimte biedt voor een doortastende op actie-gerichte leider. Slechte managers kun je ontslaan, luie werknemers aanvuren, verouderde structuren afbreken. Maar wat doe je met concurrenten die de prijzen maar blijven verlagen?

Het liefste zou Timmer de spelregels van het kapitalisme veranderen en de mallemolen van de concurrentie tijdelijk stilzetten. “Het gezonde verstand zou moeten gaan regeren dan zou iedereen tot de conclusie komen dat handel drijven op deze manier geen zin heeft". Totdat de markt tot inkeer komt kan Timmer niets anders doen dan het spel meespelen. Ook als dat betekent dat de reductie van overtollige produktiecapaciteit op de wereldmarkt vooral Philips treft.

Tot overmaat van ramp werd het resultaat van 1992, ooit voorbestemd als het glansrijke rapportcijfer van het nieuwe Philips, overschaduwd door het oude Philips. In 1984 sloot Philips een uiterst opmerkelijk contract met Grundig. Philips nam een minderheidsbelang in het Duitse bedrijf en stelde zich garant voor de verlies en winstrekening. Bovendien legde het bedrijf zich tot 2004 vast de erven-Grundig jaarlijks een dividend van 61 miljoen gulden uit te keren, in goede tijden én in slechte. In 1992 zorgde Grundig voor een totale verliespost van 484 miljoen gulden.

Mentaal en financieel incasseerde Philips in 1992 een gevoelige klap. De slechte balansratio's gaan verder achteruit en de investeringen worden met een onbekend maar fors bedrag terruggeschroefd. Afdelingen die goed lopen (alleen Verlichting) en afdelingen die slechts voorzichtig achteruit lopen moeten consumentenelektronica op die manier ondersteunen. Dat de banken voor de financiering van de nieuwe herstructurering geen extra zekerheden eisen geeft aan dat het concern nog niet voor acute overlevingsproblemen staat. Hoe nijpend het probleem desondanks is blijkt onder andere uit het feit dat oud kantoormeubilair niet wordt vervangen maar wordt opgeknapt en uit de vertraagde betaling van leveranciers.

Voor Timmer zit er niets anders op dan doorgaan op de ingeslagen weg en hopen op een spoedige wending in de wereldconjunctuur. Maar bovenal moet Timmer de crisis van Philips redden.