Column

Wraak

Waar gebeurd.

Ik denk dat ik zestien was en mijn broertje twaalf. Na jaren van prachtige strandvakanties in Egmond aan Zee besloten mijn ouders tot iets anders: Buitenland. Spanje zelfs. Dat rijd je niet in een dag en dus moest er onderweg geslapen worden.

“We zoeken iets onder Parijs”, zei mijn vader en als mijn vader dat zei dan werd het iets onder Parijs. Het werd Auxerre en als ik me goed herinner was het mijn eerste hotel. De regenachtige zwart-wit film van mijn herinnering toont een binnenplaats waar de auto, een schitterende bordeauxrode Opel Kapitän, mocht staan, een overdekt terras waar we hebben gegeten en volgens mij mochten wij, gewapend met onze eerste Franse francs na het eten nog even het stadje in. Het hotel lag hartje centrum.

Toen we thuiskwamen waren de meeste gasten, net als wij vermoeide doorreizigers, de kilometers van hun netvlies aan het dromen. Het viel ons op dat bijna iedereen de schoenen buiten de kamer had gezet. Hier begrepen wij niets van, maar mijn vader legde uit dat deze dan de volgende dag gepoetst zouden zijn. Wij waren heel vroeg op en inderdaad: alle schoenen stonden te glimmen in de gang.

Onze plannen ontstonden altijd zonder woorden. Tommie lachte schamper, ik begreep wat hij bedoelde, opende een gangkast en binnen driekwart minuut lagen alle schoenen van onze gang daar in. Fluitend meldden wij ons bij onze ouders aan de ontbijttafel.

“Goed geslapen jongens?”

“Prima. Jullie ook?”

“Wij ook. Het is een heerlijk hotel. Wat valt er nou te lachen?”

“Oh niks”, grinnikten wij de confiture op ons croissantje.

In de verte hoorden wij het eerste gelazer al. Een schreeuwende Fransman aan de receptie, een verontwaardigde eigenaar die meeliep naar de gang en even later zijn zoon en tevens ontbijtkelner erbij riep. Deze wist ook van niets. De Fransman had inmiddels steun gekregen van meer ongeschoende Fransen, Duitsers en enkele Nederlanders.

“Maar ze kunnen toch niet weg zijn”, hoorden wij een wat bekakte man loeien.

“Wat valt er nou te lachen?”, begon mijn moeder weer.

De zoon/ontbijtkelner die ook de schoenen had gepoetst vocht tegen zijn tranen en zei voor de zoveelste keer dat hij het ook niet wist. Overal, maar dan ook overal werd gezocht. Het leek een film van Louis de Fûnes en terwijl de chaos steeds completer werd wisten wij dat we niet meer terug konden. Een bekentenis onzerzijds zou een regelrechte lynchpartij hebben betekend. Even overwoog ik de radeloze zoon apart te nemen en onze flauwe grap op te biechten, maar ook dat vond ik te riskant. Het jongetje was amper tien.

Midden in de heksenketel aan de balie rekende mijn vader af, dankte de waard voor de voortreffelijke maaltijd en de prima nacht en deze bood op zijn beurt zijn excuses aan voor de oorlog aan de receptie. Iedereen schreeuwde, het woord "gendarmes' viel, mensen stonden oververhit op het glas van hun horloge te tikken om aan te geven hoe laat ze waar hadden moeten zijn.

“Wat is er toch precies?”, vroeg mijn moeder.

“Iets met schoenen”, zei mijn vader, “zo ver als ik het begrijp zijn die mensen hun schoenen kwijt”.

“Hoe kan dat nou?”

“Dat weet ik toch niet!”, zei mijn vader terwijl hij het "koffertje voor de nacht' in de veel te volle auto propte.

Opgelucht reden we Auxerre uit en mijn moeder vroeg voor de derde keer: “Wat valt er nou te lachen?”

Het lichtje bij mijn vader ging steeds feller branden, drie kilometer later had hij de puzzel compleet en zei: “Dat moeten jullie nooit meer doen!”

“Wat niet”, stamelden wij onschuldig.

“Moet ik het nog uitleggen ook?” en hij keek ons via de achteruitkijkspiegel vernietigend aan.

Natuurlijk zijn de schoenen een half uur later gevonden en de hotelier heeft de puzzel uiteraard ook opgelost. In het gastenboek zag hij dat wij Hollanders waren. Vergeten is hij dit radeloze uurtje in zijn carrière nooit en afgelopen dinsdag heeft hij zijn zoon er nog eens stevig aan herinnerd.

Toen ik afgelopen woensdagavond om drie minuten over acht onder een prachtig applaus het toneel van de Twentse Schouwburg in Enschede betrad schoot deze schoenpoetsende ontbijtkelner zijn club naar een meedogenloze 4-2. In mijn ooghoek zag ik de Fransen nog juichen.

Sorry Ajax, we waren jong en als we toen geweten hadden dat de wraak zo zoet zou zijn, dan hadden we het niet gedaan.