Vermoeid en onvermoeibaar; Gerard Reve over alles aan iedereen

Gerard Reve: Brieven van een aardappeleter. Uitg. L.J. Veen. Ingenaaid: ƒ 39,90. Gebonden: ƒ 55,-.

In de laatste brief van zijn nieuwe bundel Brieven van een aardappeleter maakt Reve een terloopse opmerking over zijn levensgezel Joop Schafthuizen: “Matroos Vosch vroeg mij eens: Wat ontroerend goed is en wat exaltische kruiden zijn, dat weet ik, maar wat is toch dat antiseminisme?” Het lijkt onaardig om zoiets te schrijven over je liefste vriend, die in eerdere brieven ”de troost van mijn late leven' wordt genoemd en bovendien de samensteller is van deze bundel. Maar Reve stelt hem nu eenmaal graag voor als een ongeletterde, zoals hij zichzelf altijd als Volksschrijver presenteert.

Dit zijn natuurlijk maar halve waarheden. Reve is niet alleen een eenvoudige ”aardappeleter', die gelukkig en tevreden leeft voor en temidden van gewone mensen, maar bovendien een eenzame en onbegrepen kunstenaar, omringd door lawaaiig gepeupel. Ook in dit brievenboek blijft het beeld intact van de schrijver die zich het liefst permanent in een bunkerachtige woning zou terugtrekken in Frankrijk of Engeland, maar die ook graag opschudding veroorzakende uitspraken doet in de media. Die dubbelzinnige levenshouding maakt eigenlijk elke brief van Reve tot een genoegen om te lezen, hoe bekend de formuleringen soms ook zijn.

Deze 134 brieven aan 92 verschillende personen en instanties, chronologisch verspreid over de jaren 1958 tot 1991, geven een aardig overzicht van Reve's leven en werk. Een goed beeld van de betrekkingen tussen Reve en zijn correspondenten geeft de bundel vast niet. Vooral Johan Polak, met wie hij ooit een goede verstandhouding moet hebben gehad, komt er hier bekaaid af, als een onbetrouwbare en ondeskundige uitgever met perverse fantasieën. Uit de amicale brief aan Karel van het Reve, uit 1971, valt aan de andere kant weer af te leiden dat de broers ooit van elkaar gehouden moeten hebben.

Deze nieuwe brieven zijn minder leutig en aanmerkelijk substantiëler dan de Brieven aan mijn lijfarts, die twee jaar geleden verschenen. In bijna elke brief doet Reve wel een krachtige uitspraak, over vriendschap, liefde, literatuur, politiek, geld, gezondheid, samenleving of religie. Een fel tegenstander, wat de religie betreft, betoont hij zich van het geloof in het hiernamaals en van moderne bijbelexegese. ”Waarachtig geloof is belangeloos, en ziet af van zulke idiote, de mens zowel als Gode onwaardige spekulaatsies'. Ook ergert hij zich aan mensen die God ”om van alles en nog wat aan Zijn kop zeuren'. Uitgaand van de gedachte dat er nu eenmaal onaangename dingen gebeuren in het leven, acht hij smeekbedes uit den boze. “Als men voor zichzelf goed weer of een veilige tocht afsmeekt, verzoekt men God dus, de naaste met tent en al te laten wegregenen, respectievelijk zich te pletter te laten rijden.” Helemaal belangeloos is Reve zelf trouwens ook niet, want hij beklaagt zich er meer dan eens over dat God zo weinig aan hem verschijnt: “Ik begin meer en meer naar de overtuiging te neigen, dat alles Hem uit de hand is gelopen, en dat hij daarom de boel maar laat rotten, en Zich ergens zit te bezatten.”

Zinkput

Hoe devoot Reve nu precies is, blijft onduidelijk. Zo komt men er ook niet goed achter hoe serieus hij is, als hij zich over politieke of maatschappelijke zaken uitlaat of over sommige ”kunstbroeders', over ”de zinkput die Nederland heet', over zijn ”volksgezondheid', of over de astrologische gegevens die hij laat ”uitwichelen'. Aan Jan Brokken deelt hij mee dat hij zijn tijd niet kan verdoen aan beuzelarijen als een interview omdat er een gunstige periode van zes weken aankomt ”waarin mijn Uranus een sentiel met Mercurius maakt'. Over het belang van zijn brieven laat hij zich vaak relativerend uit, al is hij zich er ook van bewust dat er gedeelten in voorkomen ”die men gerust ”passages' zoude kunnen noemen'.

Brieven van een aardappeleter is rijk aan zulke ”passages', waarin Reve zich boos maakt of juist vrolijk, waarin hij medelijden toont of zich juist van zijn kille zijde laat zien, - passages waarin hij zich in postuur zet, om zo te zeggen. Zoals altijd verwerkte hij de nodige clichés (”het leven valt niet mede'), tautologieën (”een meisje van het vrouwelijk geslacht') en verhaspelingen (”forellen' in plaats van forensen) in zijn brieven, maar de meligheid krijgt nooit de overhand.

Vermoeid en onvermoeibaar, dat is de dubbelzinnige indruk die ik van deze aardappeleter krijg. Soms probeert hij zich er van af te maken. In een brief aan Sjaak Hubregtse, de bezorger van sommige Reve-uitgaven die hem maar blijft bestoken met lastige vragen, verzucht hij ineens: “Waarom schrijf jij over mij? Ik schrijf toch ook niet over jou? Ik kom toch ook niet voor jouw deur herrie staan schoppen?” Aan willekeurige ”huisvrouwen' die hem deelgenoot maken van hun privé-beslommeringen, schrijf hij daarentegen bemoedigende en hartelijke brieven, al kan hij hen niet altijd van een afdoend advies dienen: “Maar hoe het verder moet - al sloeg u me dood, ik zoude het niet weten”.

Onvermoeibaar is hij vooral in meer praktische zaken. Als hij een woonvergunning aanvraagt bij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Woenseradeel, doet hij ontroerend openhartige uitspraken over zichzelf en zijn toenmalige huwelijk met Teigetje, die medicijnen studeerde. “Zijn ouderlijke toelage is beperkt, en behoeft aanvulling mijnerzijds, welke last fiskaal niet wordt erkend. Indien men iets van mij wenst te begrijpen, dan wil ik wel zeggen dat hij de enige reden is waarom ik leef en werk.” Aandoenlijk zijn ook de quasi-zakelijke brieven waarin hij mensen en organisaties met veel omhaal voorrekent hoeveel onkosten hij onderweg zal maken, voor ”wat koppen koffie en een kroket' bijvoorbeeld. Maar ook in het onstoffelijke, in het keer op keer uiteenzetten van zijn geloofsbelijdenis en in het omschrijven van wat hij zijn ”grondthema's' noemt (”de Doodt, en het Zoeken Naar Godt'), betoont hij zich een overtuigend pleitbezorger van zichzelf.

Zijn overtuigingskracht is overigens meer een kwestie van inzet en stijl dan van inhoud, want op volle waarheid berusten zijn uitspraken lang niet altijd. Zo heeft hij het graag over zijn militaire verleden in ”ons Indië', of over zijn Noorse vader of beweert hij zonder postzegels te zitten omdat ”Matroos' hem maar een karig zakgeldje zou toestoppen. ”Enfin', zo vertrouwde Reve een van zijn kunstbroeders toe, ”met wat ik schrijf is het precies als met het Evangelie: men dient het ernstig te nemen, maar niet letterlijk.'