Van der Stok: bescheiden oorlogsheld; Van der Stok was een geniale vervalser van documenten en maakte de inkt voor valse paspoorten en Ausweise van olie en roet

"Niet praten maar doen' was het devies van Nederlands legendarische en meest gedecoreerde oorlogspiloot Bob van der Stok die op 8 februari in de Verenigde Staten overleed. Terwijl in Nederland na 1945 de oorlogsprestaties gewikt, gewogen en opgeëist werden was Van der Stok allang uit het zicht verdwenen om in de Verenigde Staten een nieuw bestaan op te bouwen.

Bob, die eigenlijk Bram heette, werd geboren in Pladjoe (Indonesië) en sleet als dr. Vanderstok in Virginia Beach (Virginia) zijn laatste jaren. Hij ontweek nooit obstakels in zijn leven en leek nergens bang voor te zijn. Als vlieger in opleiding op Soesterberg toonde hij al snel zijn moed door onder de twee Moerdijkbruggen door te duiken. In mei 1940 leverde hij zijn eerste gevecht met de Duitsers boven vliegveld "De Kooij' in Den Helder. Toen hij werd geraakt wist hij te landen, klom uit zijn brandende Fokker D-XXI en nam de tijd voor een foto.

Na de capitulatie ontsnapte hij naar Engeland op het vrachtschip St. Cerque, waar hij zich dagen lang verborg onder de vloer van het ketelhuis, half in het lenswater en de olie. Aan boord ontmoette hij zijn latere verzetsvrienden Erik Hazelhoff Roelfzema en Peter Tazelaar die als bemanning waren aangemonsterd. Samen met Tazelaar werkte hij zijn plan uit om op het strand van Scheveningen een agent te droppen die het ondergrondse contact met Engeland moest onderhouden. Eenmaal in Engeland aangekomen ging Hazelhoff Roelfzema met dit plan op de loop en organiseerde de zaak, die later tot het heldenepos "Soldaat van Oranje' heeft geleid. Het zat Tazelaar, die uiteindelijk op het strand werd gedropt om de opdracht te vervullen, later dwars dat Hazelhoff Roelfzema alle lof hoogste. “Bob was het brein”, zo liet hij weten.

In Londen werd Bob opgenomen bij de RAF en bevocht de Luftwaffe, tot hij in 1942 boven Frankrijk werd neergehaald. Hij redde zijn leven via de schietstoel: “Ik hing in de blauwe lucht, de zon scheen fel, ik kon de rotsen van Dover zien en heel ver weg wat zwarte stipjes - mijn squadron op z'n vlucht naar huis.” Beneden werd hij opgewacht door de Duitsers die hem naar het krijgsgevangenkamp Stalag Luft 111 bij Sagan aan de Poolse grens stuurden.

De beroemde film "The great Escape' geeft een goed beeld van de omstandigheden in het kamp, en van de legendarische ontsnapping van bijna tachtig man via een honderdvijftig meter lange ondergrondse tunnel.

In het kamp ontpopte Van der Stok zich tot een getalenteerde dief en omkoper van de Duitse bewakers, hij was een geniale vervalser van documenten en maakte zijn inkt voor valse paspoorten en Ausweise van olie en roet. Op koninginnedag stookte hij in een wastobbe op een vuur van briketten alcohol van de rozijnen uit de Rode Kruispakketten en hij voerde de kampbewoners tot de rand van een alcoholvergiftiging met whiskey uit stroop en Apricot Brandy van gedroogde abrikozen.

Heije Schaper, die later luchtmacht-generaal en staatssecretaris is geweest, zat ook in Stalag Luft 111. Hij stond zijn uniform af aan Bob die het tot burgerpak vermaakte voor zijn ontvluchting.

De tunnel "Harry', die in het diepste geheim acht meter onder de voeten van de Duitse bewakers was aangelegd, met een spoorlijntje, een ondergrondse ventilatiepomp en twee stations, genaamd "Leicester Square' en "Piccadilly Circus' bleek op de dag van de grote vlucht, "Wings Day', te kort te zijn. De opening buiten het hek had in het bos moeten uitkomen maar kwam nu naar boven in het open veld. Desalniettemin wisten er 76 vliegers te ontvluchten voor de Duitsers het in de gaten kregen. Voor de meesten was het een korte vrijheid, ze werden opgespoord en vijftig mannen werden gefusilleerd. Slechts drie vliegers, onder wie Van der Stok wisten te ontkomen.

Van der Stok meldde zich na zijn riskante vlucht door vijandelijk gebied weer bij de RAF in Londen en vloog tot het eind van de oorlog in zijn geliefde Spitfires, op het laatst als commandant van het 322ste squadron.

Toen de oorlog voorbij was, trof hij zijn familie, eens een stralend gezin in een gastvrij huis in Marlot, in ellendige omstandigheden aan. Zijn twee broers, beiden in het verzet, waren door de Duitsers vermoord. Zijn vader was tijdens eindeloze verhoren gemarteld en aan het eind van zijn krachten. Nadat hij Bob had teruggezien overleed hij.

Na de bevrijding wachtte Van der Stok een gouden toekomst. Plesman van de KLM, prins Bernhard die in Londen een goede vriend van hem was geworden, de generaals Aler en Kruls smeedden plannen voor een vervolg op zijn briljante oorlogscarrière. Bob kon generaal bij de luchtmacht worden, of hoofd van de vliegdienst van de KLM. Maar Bob bedankte (ik vlieg liever ondersteboven) en schoof weer aan in de collegebanken om de studie waaraan hij voor de oorlog was begonnen te hervatten. Hij studeerde vijf jaar als een klerk met overuren en hield zich verre van naoorlogse feestjes: hij had zichzelf beloofd dokter te worden.

Na zijn afstuderen emigreerde hij met jonge gezin naar de VS waar hij zich specialiseerde in obstetrie en gynaecologie. Toen hij in New Mexico een praktijk in algemene geneeskunde wilde beginnen moest hij alle examens overdoen, maar hij slaagde glansrijk. Dertien jaar had hij in Ruidoso een grote praktijk. Later vestigde hij zich in Californië, zijn huwelijk liep mis en hij nam een baan aan als scheepsarts op een cruise-schip naar Hawaï. Daar vestigde hij zich met zijn tweede vrouw en vond hij werk als medisch directeur van een instelling voor gehandicapten. Voor die tijd werkte hij nog even voor de NASA en bemoeide zich onder meer met het ruimtetoilet: hoe doe je in gewichtloze toestand binnen vier seconden je behoefte zonder dat het je om de oren vliegt?

In Hawaï meldde hij zich bij de Coast Guard en redde, samen met zijn vrouw Petie en zijn schip de "Flying Dutchman' tientallen mensenlevens. Ook schreef hij daar een boek over zijn oorlogsverleden wat volgens Petie een therapeutische bezigheid was. Met een verwijzing naar Hazelhoff Roelfzema noemde hij dit Oorlogsvlieger van Oranje. Het werd in Nederland en de VS uitgegeven. Dr. L. de Jong beoordeelde zijn relaas als zakelijk, onopgesmukt en waarheidsgetrouw, en roemde Van der Stoks bescheidenheid.

Tien jaar geleden wijdde de NOS een uitzending aan Van der Stok en liet hem een aantal personen uit zijn oorlogsverleden ontmoeten, onder wie prins Bernhard. Bij de confrontatie met de politieman en zijn vrouw die hem hadden laten onderduiken werd het hem te machtig.

Toen Bob zeventig werd stopte hij met tegenzin met werken. Alleen, inmiddels weduwnaar, verhuisde hij naar Virginia Beach. Het tekenen en schilderen waar hij ondanks zijn intensieve bestaan steeds tijd voor had gevonden ging niet meer van harte. Zijn laatste jaren waren eenzaam, vol schaduwen uit zijn oorlogsverleden. In zijn appartement aan de rand van de oceaan mixte hij achter zijn huisbar gezeten elke dag na vijven zijn twee Manhattans en keek uit over Chesapeake Bay. Aan de muur zijn squadronembleem met daarop het devies: niet praten, maar doen. Aan de overkant wist hij Europa waar weer oorlog werd gevoerd, waar de geschiedenis bezig was zich te herhalen met hakenkruizen en concentratiekampen.