Staatsrechtelijk "noodverband' met Antillen bepleit

PHILIPSBURG, 5 MAART. Tussen de Antilliaanse eilanden en Nederland moet een staatsrechtelijk noodverband worden aangelegd, tot er in de West bestuurlijk en financieel orde op zaken is gesteld.

Dit stelt Vance James jr. voor, oppositieleider van het bovenwindse eiland Sint Maarten. Hij doet dit aan de vooravond van de Toekomstconferentie over de Antillen, die volgende week onder voorzitterschap van premier Lubbers in Willemstad (Curaçao) wordt gehouden. James bepleit opheffing van de Nederlandse Antillen als onderdeel van het Koninkrijk. Daarvoor in de plaats zou een rechtstreekse staatsrechtelijke band gesmeed moeten worden tussen afzonderlijke Antilliaanse eilanden, of groepjes eilanden, en Nederland.

Op de Toekomstconferentie zouden de criteria voor die nieuwe Koninkrijksrelatie kunnen worden vastgesteld, maar de preciese status van elk onderdeel van het Koninkrijk, bijvoorbeeld een provincie van Nederland of een land met een status aparte zoals Aruba kent, kan later worden vastgesteld, aldus de oppositieleider. De conferentie moet volgens hem voorkomen dat er bij voorbaat "clusters' (groepjes) eilanden worden gevormd, als voorwaarde voor werkbare eenheden in een nieuw staatsrechtelijk verband. Zo'n benadering zou leiden tot onnodige vertraging en achterhoedegevechten, aldus James.

“Eén ding staat duidelijk vast: zoals de verhoudingen op de Antillen nu zijn, kan het niet meer”, zegt hij. “De gedachte die achter het Statuut voor het Koninkrijk lag, heeft gewoon niet gewerkt. Achteraf is dat ook logisch, want de Antillen zijn nooit een eenheid geweest. Het bij elkaar houden van de eilanden in één land is niet meer geweest dan een postkoloniale oprisping.” Landen worden niet tot een eenheid gevormd om louter economische of functionele redenen, en ook niet door politiek-economische motieven, zegt hij verwijzend naar Joegoslavië. “Wat nodig is, is een samenhang van volk, traditie, cultuur, taal of wat daarmee is verbonden. Zoiets vormt zich min of meer vanzelf en laat zich niet dwingen door het opleggen van staatsrechtelijke concepten.”

Iedereen op de Antillen ziet nu volgens James wel in “dat het huidige landsverband niet werkt en nooit zal werken. In vrijwel alle opzichten, politiek zowel als economisch, administratief en organisatorisch heeft het huidige bestuurssysteem zijn onbruikbaarheid getoond.” Daarvan is Sint Maarten een sprekend voorbeeld, vindt James. “De bestuurlijke problemen zijn terug te voeren op het falen van de regering van de Nederlandse Antillen om een deugdelijk toezicht op het eilandsbestuur uit te oefenen. Aan datzelfde landsbestuur wordt nu, via de gouverneur, de uitvoering van het Hoger Toezicht (de curatele-maatregel van de Koninkrijksregering) in handen gegeven. Natuurlijk werkt dat niet, het is weer een afspiegeling van de huidige staatsrechtelijke constructie binnen het Koninkrijk, en die werkt ook niet.”

In de huidige verhoudingen van het Koninkrijk wordt eraan voorbijgegaan dat de Bovenwindse eilanden Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba “geen enkele relatie hebben met Curaçao”, aldus James. Zijn redenering doet sterk denken aan die waarmee de legendarische Arubaanse politicus Betico Croes de Koninkrijksregering in de jaren '80 na vele conferenties wist over te halen tot een autonome positie voor zijn eiland.

“De Bovenwinden hebben een eigen identiteit die zich vertaalt in het politieke leven. Wij weten duidelijk wat we niet willen, maar de vraag waar het nu op deze conferentie om draait, is: wat willen wel wèl?” In dit verband waarschuwt oppositieleider James dat de huidige bestuurlijke problemen van Sint Maarten niet bepalend mogen zijn voor nieuwe staatkundige verhoudingen. “Die twee moet je los van elkaar zien. Het bestuurlijk falen moet als een apart probleem worden opgelost.”