Shashi Kapoor bezorgd over peil Indiase cinema

Eregast op het tweede Cinema India-festival is dit jaar Shashi Kapoor, een van de weinige Indiase acteurs die in het Westen zijn doorgedrongen.

Shashi Kapoor wordt vanavond geïnterviewd door Anil Ramdas om 20 uur in het Tropeninstituut; aansluitend wordt de film Junoon vertoond. Inl. en res. Cinema India-festival, Soeterijn theater, tel. 020-568.8500 (10-16u).

AMSTERDAM, 5 MAART. Shashi Kapoor (55) betreedt de lobby van het Amstel Hotel met de zelfverzekerde tred van een echte ster, hooguit een beetje wankel van de jetlag. Hij is dit jaar eregast op het tweede Cinema India-festival en is net uit Bombay gearriveerd. Aan de verandering van klimaat moet hij zich nog aanpassen: hij gaat nog gekleed in een luchtig katoenen pyjama-achtig pak en een grote bruine omslagdoek.

Als we elkaar een hand geven schiet ik zeer ongepast in de lach: dit is dus de de man uit de weergaloze scène in Stephen Frears' film Sammie en Rosie Get Laid! De Indiase vader die, toch al gechoqueerd van het moderne westerse leven dat zijn zoon in Londen leidt, als klap op de vuurpijl twee dames bij elkaar in bed aantreft en via het raam en de regenpijp het huis ontvlucht.

Kapoor is een van de weinige Indiase acteurs die in het Westen zijn doorgedrongen. Met Sammy and Rosie Get Laid (1987) bereikte hij een nieuw publiek; daarvoor was hij al bekend door films die hij sinds 1962 maakt samen met de Engelse producent James Ivory, bijvoorbeeld Heat and Dust (1983). Acteren doet Kapoor tegenwoordig zelden - “Helaas ben ik er te oud en te dik voor geworden” - maar sinds eind jaren zeventig treedt hij op als regisseur en producent en beheert hij een eigen theater.

“Mijn loopbaan is in het theater begonnen,” vertelt hij. “Mijn vader stond aan het hoofd van een toneelgezelschap in Bombay, het Prithvi, en mijn eerste rol speelde ik toen ik zes was. Daarnaast maakte hij al vanaf 1927 films. Op mijn vijftiende besloot ik met school op te houden. Tegen mijn vader zei ik: Papa, ik kan wel doorgaan naar de universiteit, maar meer dan de playboy-zoon van een beroemde vader uithangen, doe ik daar toch niet. Dan is het toch beter om toe te geven aan mijn echte roeping?” Tijdens een tournee in 1956 kreeg Shashi plotseling het verzoek in te vallen bij het Engelse gezelschap Shakespeariana International, onder leiding van Joseph Kendall. “Een Indiase acteur van achttien die ineens meespeelt in Othello en Macbeth!” Daar ontmoette hij ook zijn vrouw, Kendalls dochter Jennifer, met wie hij getrouwd is gebleven tot haar dood acht jaar geleden.

In 1960 stapte Kapoor definitief over van het theater op film. Het Prithvi-gezelschap was opgedoekt, zijn vader maakte films en ook zijn oudere broer Raj had al sinds 1946 een eigen studio. “Van het werk in het theater kon ik mijn gezin niet onderhouden. Het was pure economische noodzaak.” Kapoor werd weliswaar beroemd door heel India, meestal in de hoedanigheid van de schalkse verleider, maar in subtiliteit of artistieke uitdaging blonken de meeste van zijn films in de jaren zestig en zeventig niet uit. “Er zaten ook goede films tussen, maar de meeste waren flauwekul. De Indiase filmindustrie heeft geprobeerd een formule te vinden die zo veel mogelijk mensen aanspreekt. Dat is een enorme opgave in een zo'n groot land met zo veel verschillende talen, culturen en tradities. De meeste films conformeren zich dus aan de grootste gemene deler.”

Onder het motto "Tachtig jaar films voor miljoenen' legt dit tweede Cinema India-festival, dat door het Tropeninstituut / Soeterijn Theater en het Nederlands Filmmuseum wordt georganiseerd, de nadruk op het medium als massavermaak. Van de Kapoor-dynastie alleen al zijn er produkties van zowel de vader als zijn twee zonen Raj en Shashi, en zelfs één film waarin vier generaties Kapoor figureren: grootvader, vader, twee zonen en daar weer een zoon van.

Ondanks zijn succes wist Kapoor had hij zijn licht onder de korenmaat stak. “Ik kreeg te weinig goede, uitdagende rollen aangeboden, dus besloot ik in 1978 zelf maar producent te worden. Mijn eerste produktie, waar ik zelf ook in acteerde, was de film Junoon, een waar gebeurd verhaal van de liefde tussen een Indiër en een Engelse in 1857. Vier keer heb ik in mijn eigen films geacteerd, maar nu beperk ik met tot het regisseren en produceren.”

Juist als producent maakte Kapoor kennis met Stephen Frears toen die in Bombay op zoek was naar locaties. Later zou blijken dat Frears, wiens eerste film My Beautiful Laundrette ook een sterk interraciale component had, toen al het idee in zijn hoofd had gekregen, hem als acteur te vragen. In Sammy and Rosie is Kapoor niet alleen de representant van de Derde Wereld die met ogen op steeltjes het kinky leven van zijn zoon beziet, maar tevens een corrupte schurk die toch onze sympathie weet te winnen. Het verschil tussen deze complexe, intelligente figuur en de bordkartonnen typetjes uit zijn traditionele Indiase potboilers is bijna niet te bevatten.

In 1978 besloot Kapoor niet alleen producent te worden, maar tevens met zijn vrouw een nieuw theater op te richten in Bombay, dat ze als hommage naar het gezelschap van zijn vader noemde: Prithvi. “We voelden dat we allebei verplicht waren iets voor de kunstvorm te doen waaruit wij voortkwamen, het theater. In Hindi noemen we dat guru dakshana, het geschenk dat je aan je guru heeft nadat je zijn lessen hebt gevolgd.” Het nieuwe Prithvi heeft geen eigen gezelschap, maar fungeert eerder - tegen lage kosten - als podium voor jong talent. Volgens Kapoor worden er veel workshops gegeven, onlangs nog door Tom Stoppard.

Met het toneel mag het wat beter gaan, over de toekomst van de Indiase cinema is Kapoor juist bezorgd. “De bioscopen zijn achteruit gegaan: de wc's stinken, het geluid is slecht, de projectie onscherp. De meeste eigenaren zouden liever vandaag dan morgen hun theaters neerhalen om een duur nieuw commercieel complex te laten bouwen. Ik ben nu in een gevecht verwikkeld voor behoud van het Royal Opera House in Bombay, waar ik mijn eerste voorstellingen heb gezien en waar ik zelf ook op de planken heb gestaan.

“Maar ook de kwaliteit van de films zelf is een probleem. In de afgelopen twintig jaar is film gedevalueerd van een kunstwerk in een makkelijke manier van geldverdienen. De creatieve mensen hebben hun handen ervan af getrokken, het is business geworden. Van de negenhonderd tot duizend films die elk jaar in India worden gemaakt, is niet meer dan twintig procent serieus.”