Ronkende gitaren

Watt. Nr 1, maart '93. Uitg. Muziek en Beeld Media. Prijs ƒ5,50 (incl. gratis cd).

Nederland kan een nieuw rocktijdschrift goed gebruiken. De breed geïnteresseerde muziekliefhebber, die te oud is voor tienerblaadjes en niet genoeg heeft aan het beetje rock 'n' roll in kranten en opinieweekbladen, vindt in de kiosk naast Engelstalige bladen als Rolling Stone en Vox alleen de voormalige muziekkrant Oor. Dit tweewekelijks "Toonaangevend Tijdschrift' heeft veel dat een goed popblad moet hebben (nieuws, interviews, bijzondere foto's, achtergrondverhalen, plaatbesprekingen, concertrecensies), maar maakt over het algemeen een gezapige en vooral weinig kritische indruk. Iedere artiest die een nieuwe plaat uitbrengt, wordt in Oor uitvoerig aan het woord gelaten, ook al heeft hij of zij niets te melden; stukken worden geplaatst zonder merkbare eindredactie en staan bol van de woordspelingen en Engelse termen; columnisten wedijveren met elkaar in flauwiteiten, recensenten in superlatieven. En alle artikelen zijn doortrokken van een dodelijk vermoeiend, zo langzamerhand kenmerkend Oor-toontje: een kruising tussen populaire lolligheid en ouwe-jongens krentenbrood.

Sinds een week of twee is er een nieuw tijdschrift dat een eind wil maken aan het monopolie van Oor in de Nederlandse rockverslaggeving. Anders dan de concurrent, die de hele popcultuur (inclusief film en tv) bestrijkt, beperkt het maandblad Watt zich tot de rock, en dan vooral de harde variant daarvan: "zolang de gitaren maar lekker ronken' luidt het enigszins ontmoedigende motto van hoofd- en eindredacteur Johan Vosmeijer. Toch houdt Watt zich niet alleen bij hardrock, zoals het blad Meltdown waaruit het is voortgekomen. Alle gitaarrock komt aan bod, of het nu de black metal van Living Colour is, de blues van Glenn Hughes, of de grunge van de commercieel zo succesvolle Seattle-groepen.

De ideale lezer van Watt is de hardrocker die de dertig gepasseerd is, de fan die is opgegroeid met grootheden uit de jaren zeventig als Thin Lizzy, Black Sabbath en Deep Purple en tegenwoordig het liefst luistert naar Alice in Chains en Metallica. Die betrekkelijk kleine doelgroep maakt Watt natuurlijk geen alternatief voor Oor - ook al was het blad leesbaarder en verrassender geweest. Maar zelfs op het gebied van de rock is Watt niet veel beter dan het popblad Oor: (melige) columns mogen dan ontbreken, en er is veel aandacht voor Nederlandse groepen, maar het eerste nummer wordt net als de gemiddelde Oor gedomineerd door slaafse interviews - alsof er geen andere manieren zijn om over muziek te schrijven. En hoewel de redactie van Watt zich naar eigen zeggen bij de selectie van artikelen altijd afvraagt of "de artiest iets zinnigs te melden heeft', stuit de lezer in dit eerste nummer vooral op saaie verhalen over plaatopnamen, producers en tournees.

Oor wordt wel verweten dat het te veel aan de leiband van de muziekindustrie loopt; dat het te afhankelijk is van interviews en reportages die door de platenmaatschappijen worden aangeboden. Dat het altijd erger kan, bewijst het eerste nummer van Watt. Wie de 90 bladzijden doorwerkt, krijgt het gevoel dat de banden van de redactie met de cd-distributeurs nauw zijn. De promotie-cd met acht hardrocknummers die op de voorkant van het blad is vastgeplakt, valt nog te beschouwen als een aardigheidje van de verzamelde platenmaatschappijen. Bedenkelijker is dat een interview met de Little Angels vergezeld gaat van de mededeling dat Polydor vijf gratis cd's aan de lezers van Watt beschikbaar stelt. Maar het dieptepunt bevindt zich in het hart van het blad: een door Sony Music samengesteld promotiekrantje dat voor de oppervlakkige lezer niet duidelijk verschilt van de rest van Watt - te meer daar de redactie van Watt er elders in het nummer gewoon naar verwijst. En zo kan het gebeuren dat de bon om abonnee van Watt te worden op dezelfde bladzijde staat als een enquête van Sony naar het koopgedrag van de lezers.

Nederland zou een kritisch rocktijdschrift goed kunnen gebruiken.