Meer belasting buitenlandse bedrijven in VS

NEW YORK, 5 MAART. President Bill Clinton verwacht ongeveer 4,5 miljard dollar aan extra belastingen van buitenlandse bedrijven te kunnen innen. Hoewel Clinton tijdens zijn campagne nog sprak van een bedrag van wel 45 miljard, is het volgens kenners de vraag of 4,5 miljard dollar zelfs wel haalbaar is.

Volgens Clinton is het geld te innen door een verscherpte fiscale controle door belastingambtenaren van de IRS (Internal Revenue Service), de Amerikaanse federale belastingdienst. Reacties op Clintons campagne-aankondigingen varieerden van “volkomen onrealistisch” tot “niet helemaal uit de lucht gegrepen”. De IRS achtte het binnenhalen van het bedrag echter volkomen onhaalbaar en kwam zelf met een berekening dat er 1,45 miljard dollar extra kan worden geïnd.

“Ook nu is het bedrag uit de lucht gegrepen”, zegt Stef van Weeghel, advocaat-belastingkundige van Stibbe Simont Monahan Duhot. “Clinton spreekt in het Democratisch programma "Putting people first' van een "fair share' dat ook buitenlandse ondernemingen moeten betalen, maar daarvoor is niet zomaar nieuwe wetgeving. Door een betere controle op de huidige gang van zaken kan hij volgens mij misschien 1 of hoogstens 2 miljard dollar binnenhalen.”

Die verscherpte wetgeving zou zich richten op buitenlandse bedrijven die in de VS zelfstandige dochterondernemingen hebben. Vaak leveren deze bedrijven (half)produkten aan hun dochters waarbij de prijs kunstmatig wordt opgeschroefd - "transfer pricing' wordt dat genoemd. Een kunstmatig hoge prijs verlaagt niet alleen de winst die de dochter moet afdragen aan het moederland maar ook het bedrag aan belasting dat het gastland kan eisen.

“Een bedrijf dat in het eigen land altijd winst maakt maar in de VS zegt alleen maar quitte te draaien, kan er donder op zeggen dat de IRS langskomt”, aldus Arthur Gordon van accountantsfirma Ernst & Young. De IRS zal volgens Gordon niet gewoon genoegen nemen met een lagere prijs. De buitenlander moet zich verantwoorden over de samenstelling van de prijs. Gordon: “Men moet bewijzen waarom de prijs is wat hij is. Het kan erop neer komen dat bij wijze van spreken de hele boekhouding moet worden opgestuurd.”

Gordon erkent dat Amerikaanse in het buitenland natuurlijk ook trucs uithalen die de buitenlanders in de VS proberen. Het is echter een economisch belangrijk onderdeel van internationale handel en bedrijfsvoering geworden. Het overhevelen van winsten is in de regel niet rendabel. Niet alleen transfer-pricing is daar een oplossing voor. Amerikaanse bedrijven met vestigingen in het buitenland proberen winst in het buitenland zoveel mogelijk te herinvesteren omdat ze daarmee belastingheffing in eigen land kunnen voorkomen.

Om lastige buitenlandse bedrijven in de gaten te kunnen houden, kan de IRS "advanced pricing agreements' sluiten, wat betekent dat buitenlandse leveranciers van produkten zich met hun prijzen alleen binnen bepaalde marges kunnen bewegen. De IRS is op dit moment naar eigen zeggen met tientallen bedrijven in onderhandeling over wat de redelijke marges zijn.

Om bedrijven te dwingen in bepaalde opzichten mee te werken kan de IRS belasting heffen over een geschatte winst. De Amerikanen vergelijken dan een bedrijf doodleuk met een tegenhanger uit eigen land en bepalen op grond daarvan hoeveel belasting redelijk is. Daar heeft men zich aan te houden.

Overigens kan Nederland zich door het gedetailleerde belastingverdrag dat het met de VS heeft, redelijk veilig wanen. Nieuwe wetgeving die erop gericht is om buitenlandse bedrijven aan te pakken zal Nederland waarschijnlijk niet raken. In de VS is het zo dat als een nieuwe wet in strijd is met een verdrag die wet voorgaat. Insiders verwachten niet dat het Congres zal gaan tornen aan gedetailleerde belastingverdragen zoals dat tussen de VS en Nederland, waar een jaar of twaalf onderhandelen voor nodig was. Fiscaal deskundige Stef van Weeghel denkt zelfs dat Nederland erop aangestuurd heeft. “Een van de redenen dat Nederland de laatste jaren constructief aan het verdrag heeft meegewerkt, was om het gevaar van overruling door dreigende wetgeving van het Congres te voorkomen.”