Leidse stichting moet half jaar stoppen met reageerbuisbevruchting

DEN HAAG, 5 MAART. De Stichting Medisch Centrum voor Geboorteregeling in Leiden moeten voor zes maanden stoppen met het uitvoeren van reageerbuisbevruchtingen (IVF). Dit heeft de rechtbank in Den Haag vandaag bepaald. De stichting heeft onmiddellijk aangekondigd in beroep te gaan tegen het vonnis. Dat heeft een opschortende werking, zodat reageerbuisbevruchtingen voorlopig gewoon doorgaan.

Staatssecretaris Simons van volksgezondheid wil niet dat er buiten de door hem expliciet aangewezen klinieken IVF-behandelingen (reageerbuisbevruchtingen) worden uitgevoerd. De vraag of hij de juiste juridische middelen heeft gekozen om zodoende andere klinieken een verbod op te leggen, vormde het eigenlijke twistpunt in de strafzaak tegen de Stichting Medisch Centrum voor Geboorteregeling. In dit centrum worden sinds 1985 zonder vergunning IVF-behandelingen verricht, overigens met medeweten van het ministerie van WVC. Het centrum betwist niet dat het geen vergunning heeft voor IVF-behandelingen, maar volgens zijn raadsman mr. H. Utermark heeft het die ook niet nodig. Bij de stichting kunnen vrouwen ook terecht voor een abortus, sterilisatie (ook voor mannen), het ongedaan maken daarvan en kunstmatige inseminatie.

Hij beroept zich daarbij op een uitleg van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen en enige daarmee samenhangende besluiten. In het Planningsbesluit in-vitro-fertilisatie van 20 juli 1989 wordt het verrichten van IVF-behandelingen in ziekenhuisvoorzieningen aan een vergunning verbonden. Volgens een aanwijzing uit 1988 vallen “laboratoria waar menselijke embryo's tot stand worden gebracht en bewaard” onder het begrip "ziekenhuisvoorzieningen' zoals dit in artikel 1 van de wet wordt gebruikt. In artikel 1 staat echter dat een "ziekenhuisvoorziening' altijd een "inrichting voor gezondheidszorg' is. En een "inrichting voor gezondheidszorg' op haar beurt is een instelling waar opname van patiënten plaatsvindt. Althans, dat meent de verdediging. En in het Medisch Centrum voor Geboorteregeling in Leiden vinden geen opnamen plaats, volgens de exploitanten van het centrum.

Officier van justitie mevrouw mr. M. Schelfhout zag zich dan ook in een lastig parket gemanoeuvreerd. Willens en wetens heeft de staatssecretaris laboratoria voor IVF onder het begrip "inrichting voor gezondheidszorg' gebracht, ook al vinden in die laboratoria geen opnamen plaats, constateerde ze twee weken geleden ter zitting. Ze stelde dan ook de vervolging te hebben doorgezet op uitdrukkelijk verzoek van het ministerie van WVC.

Hoewel er in het IVF-laboratorium evident geen opnamen plaatsvinden zouden er volgens Schelfhout elders in het centrum wel opnamen plaatsvinden, met name bij sterilisatie van vrouwen. Daarom zou er volgens haar toch sprake zijn van een "inrichting voor gezondheidszorg' en zou het centrum een vergunning nodig hebben. Voor zo'n vergunning zou het overigens nooit in aanmerking komen, zo is gebleken uit overleg dat het centrum met het ministerie van WVC heeft gehad. De officier eiste tweeduizend gulden boeten en beëindiging van de IVF-activiteiten in het centrum door verwijdering van de daarvoor benodigde apparatuur (een gewone broedstoof en enig glaswerk). De rechtbank besloot geen boete op te leggen, waarmee ze tot uitdrukking wilde brengen dat de kwaliteit van de IVF-behandeling in het Leidse centrum niet onderdoet voor die in klinieken die wel over een vergunning beschikken.

De verdediging betwistte dat er bij sterilisatie van vrouwen sprake is van opname. Hooguit rusten vrouwen na de behandeling, die ongeveer een kwartier duurt, een uurtje uit. De lezing dat dit geen opname is, was door de rechtbank bij beschikking van vorig jaar december erkend. Utermark vroeg daarom vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging voor zijn cliënt.

In het vonnis van vandaag grijpt de rechtbank verder terug in de geschiedenis van de Wet Ziekenhuisvoorziening om tot de conclusie te komen dat het opnamecriterium niet doorslaggevend is voor een inrichting voor gezondheidszorg. De rechtbank sluit nu aan bij algemeen spraakgebruik en noemt een inrichting voor gezondheidszorg “een bouwkundige voorziening waarin stelselmatig medische handelingen of daaraan verwante handelingen (kunnen) worden verricht, daaronder mede begrepen handelingen gericht op de verpleging van personen”. In deze uitleg van het begrip valt het laboratorium er wel onder, en heeft het volgens de rechtbank een vergunning nodig voor het uitvoeren van IVF-behandelingen.