Inbreker uit wraakzucht; Inventieve roman van Maria Stahlie

Maria Stahlie: De vlinderplaag. Uitg. Bert Bakker, 235 blz. Prijs ƒ 34,90.

Een vlinder is iets moois, een vlinderplaag een verschrikking. Alles wat beweeglijk en kleurig is aan een individuele vlinder wordt bij een plaag zo sterk vermenigvuldigd dat er een onoverzichtelijke, grauwe wolk van dreiging ontstaat. In de nieuwe roman van Maria Stahlie komt zowel het lieflijke als het dreigende aspect van de vlinders aan bod. In de literatuur worden vlinders gemakkelijk tot symbolen van de vrijheid of de onbestendigheid, of ze worden gezien, zoals in Augusta de Wits Gods goochelaartjes, als boodschappers van een buiten de werkelijkheid liggende schoonheid. De rol die Maria Stahlie haar vlinders toebedeelt, staat niet zo ver af van die laatste opvatting. Alleen valt bij haar de nadruk meer op het buitenwerkelijke dan op de schoonheid.

In Stahlies roman is de vlinder de vertegenwoordiger van de inventiviteit en de fantasie die de grenzen van de werkelijkheid kunnen overschrijden. Al is de speelsheid groot, de fantasie is bij haar niet zo maar een spel zonder inzet, maar erop gericht de identiteitscrisis van de twee hoofdfiguren te bezweren door het opperen en overwegen van talrijke mogelijkheden, binnen zowel als buiten de werkelijkheid. Die overwegingen hebben een ongewoon levendige roman opgeleverd, ook al blijven de personages na alle capriolen die de verbeelding met hen heeft uitgehaald, nog met hun identiteitsprobleem zitten.

De vlinderplaag bestaat uit drie delen: een proloog en twee lange verhalen. In de proloog krijgt een meisje van tien op haar verjaardag een tekening van een beer waar ze niets aan vindt. Terwijl ze er woedend naar zit te kijken, verandert de beer in een adelaar. Dan slaat haar stemming om in uitgelaten vreugde. Zonder het te weten heeft ze de macht van de verbeelding ontdekt. Jaren later, met haar geliefde in Parijs, waar zwermen vlinders rondfladderen, blijft de metamorfose van de beer haar door het hoofd spoken. Het idee van de transformatie van de werkelijkheid wordt door een merkwaardige gebeurtenis in Parijs zo versterkt dat ze het gevoel heeft dat "alles in werkelijkheid onvoorstelbaar anders is'. Dat is haar enige zekerheid. Ze besluit dan twee verhalen te schrijven om die zekerheid op de proef te stellen.

Drieling

Van die twee verhalen is het eerste verreweg het boeiendst. De vertelster is de laatstgeborene van een drieling en heeft grote moeite haar identiteit te bepalen tegenover haar twee broers. Als die broers met een tussenpoos van achttien jaar spoorloos verdwijnen, wordt haar onzekerheid over wie ze nu eigenlijk is alleen maar heviger. Zou het zo zijn, vraagt ze zich af, dat een drieling bestaat uit één echt kind, één kopie en één karikatuur? De malaise wordt nog erger als ze zich gaat verbeelden dat er in aanleg nog een vierde kind is geweest dat door de drie andere geen levensvatbaarheid heeft gekregen. De verbeelding zwermt naar alle kanten uit en begint inderdaad het dreigende van een geestelijke vlinderplaag aan te nemen. Het aantrekkelijke van dit verhaal ligt niet alleen in de vindingrijkheid waarmee de fantasie zich onvermoede wegen baant, maar ook in de speelse verteltrant die de zwaarwichtigheid van het onderwerp voortdurend relativeert.

De toon van het tweede verhaal is minder licht, minder vlinders. De hoofdfiguur is een jongen van negentien jaar, Jim Labeur geheten - een naam uit Stahlies vorige roman - die pizza's rondbrengt maar de ambitie heeft om scenarioschrijver en regisseur te worden. Hij probeert op te tellen wat hij over zichzelf weet en dat blijkt niet veel te zijn. Als een script van hem honend wordt afgewezen weet hij helemaal niet meer wie of wat hij is. Dat script was een soort herbewerking van zijn lievelingsfilm waaruit hij te pas en te onpas citeert: Buffet froid, een film van Blier met Depardieu (die het hele verhaal door een onverdiend accent op zijn e krijgt). Uit wraakzucht en met de hoop op zelfbevestiging gaat hij inbreken en vernielen bij mensen die hem niets misdaan hebben. Als dat niet helpt, gaat hij een stapje verder en besluit een onbekende vrouw van haar uitzonderlijk lange vlecht te ontdoen. Het lijkt een milde vorm van Gide's "acte gratuit', de motiefloze moord in Les caves du Vatican, waarmee de film van Blier ook wel iets van doen heeft. Op het kritieke moment schrikt hij terug en evenmin als de vertelster in het eerste verhaal heeft hij het probleem van zijn identiteit weten op te lossen.

Maria Stahlie heeft duidelijk meer affiniteit met de luchthartige ernst van het eerste verhaal dan met Jims rancuneuze kwaadaardigheid die soms dicht in de buurt van meligheid komt. De vele, vaak flauwe woordspelingen doen het verhaal ook geen goed. Pas als Jim zich een beetje gaat schamen over alles wat hij wel en niet gedaan heeft en ter afkoeling naar Parijs vlucht, en daar medespeler wordt in de gebeurtenissen van het eerste verhaal, komt de lichtvoetigheid terug. Het integreren van de twee verhalen is overigens een tour de force die niet helemaal lukt. De verwachting wordt gewekt dat de onderdelen van elk verhaal in elkaar zullen grijpen als de tandwielen van een raderwerk, maar er blijft te veel speling om dat soepel te laten verlopen. Ondanks dat bezwaar levert De vlinderplaag een indrukwekkend bewijs van Stahlies verbeeldingskracht die, om haar eigen woorden te gebruiken, "zo inventief is als een vlinder'.