In Asturië is gewelddadig arbeidersverzet tegen de staat een traditie

In Spanje wint de twijfel aan de gemeenschappelijke Europese markt veld. Het aantal werklozen heeft de recordhoogte van drie miljoen bereikt. Vooral in de noordelijke, vanouds industriële provincies slaat de crisis toe.

MIERES, 5 MAART. Lucinio Fernandez heeft drie keer in zijn leven een geweer opgepakt. De eerste keer was in 1922, als dienstplichtige in de Rif, en de laatste keer in de Burgeroorlog, toen hij meevocht aan de kant van de Republikeinen. Beide keren had hij geen andere keus dan soldaat te worden. Alleen bij de mijnwerkersopstand van 1934 heeft hij uit zichzelf het wapen ter hand genomen. Of beter gezegd: hij is het gaan halen, in het arsenaal van Oviedo, samen met de andere kompels en nadat ze met dynamiet de poort van de kazerne hadden opgeblazen. Vijftien dagen duurde de revolutie die het begin had moeten zijn van de Sovjet-staat in Spanje, daarna moesten de mijnwerkers zich overgeven aan de kleine maar ook toen al ambitieuze generaal Franco. De belofte dat hun leven gespaard zou blijven werd niet nagekomen, honderden revolutionairen werden zonder vorm van proces gefusilleerd. “Ik ben alijd socialist gebleven,” zegt Luciano Fernandez, die nu éénennegentig is. “En ik heb geluk gehad, dat ik daar heelhuids afgekomen ben.”

Toen hij terugkwam uit de laatste oorlog, is hij opnieuw een lamp en een houweel gaan halen. Zijn dorp was veranderd, somber. In ieder gezin treurde men wel om een dode. De mijnen waren onder militair toezicht gesteld, de voorman heette nu sergeant. Wanneer 's nachts een trein met soldaten door de streek reed, werd er voor de grap uit het raam geschoten naar huizen en voorbijgangers. Alle inwoners van Mieres en omgeving waren immers mijnwerkers en alle mijnwerkers waren rood. Luciano Fernandez heeft nooit overwogen weg te gaan of een ander beroep te kiezen. Niemand werkt voor zijn plezier onder de grond; in ploegendienst, zes dagen in de week en met een loon dat afhankelijk is van de meters die je hebt weten uit te hakken. Maar de verdiensten waren nog altijd beter dan wat je ergens anders kon krijgen en hij wist precies wat hij wilde met dat geld: zijn twee zoons naar school sturen, zodat ze geen mijnwerker zouden hoeven worden.

Dat is mislukt. Allebei zijn ze de mijn ingegaan en allebei zijn ze inmiddels overleden. De één had stoflongen, de ander kreeg een hartaanval. Luciano woont nu in huis bij de weduwe van de oudste, samen met zijn twee kleinzoons. De één is werkloos en de ander, Ruben, die in het dorp Mooie Ruben wordt genoemd, heeft vorig jaar een baan gekregen bij de mijn van San Nicolas. Natuurlijk, zegt Ruben, zou hij voor hetzelfde geld liever boven de grond willen werken, maar boven de grond s er geen werk. En natuurlijk is hij lid van het syndicaat. Daar had hij het advies van zijn opa niet voor nodig. De organisatiegraad in de mijnen is de hoogste van heel Spanje: achtennegentig procent.

Verzet, en als het moet gewelddadig verzet, tegen werkgevers en tegen de staat is een traditie in de mijnen van Asturië. Aan de revolutie van 1934 ging de opstand van 1917 vooraf en de draad werd opnieuw opgepakt bij de stakingen van 1962. En al is de staat dan nu democratisch, toen vorig jaar door de minister van industriebeleid nieuwe bedrijfssluitingen in de mijnen werden aangekondigd, legden de werkers opnieuw het treinverkeer stil en barricadeerden ze de snelwegen, alsof het geen 1992 was maar nog altijd 1934. De politie werd niet met spreekkoren en spandoeken ontvangen, maar met molotov-cocktails en projectielen uit granaatwerpers van eigen makelij. Op de pamfletten stond het gezicht van Dolores Ibarruri, La Pasionaria, in de jaren dertig communistisch parlementslid voor Asturië.

Iets essentieels is er intussen wel veranderd. In het verleden hadden de mijnwerkersacties altijd een politieke achtergrond: de stichting van een arbeidersrepubliek, verzet tegen de dictatuur. Het regime van generaal Franco gaf in de jaren vijftig en zestig snel toe aan salariseisen, om erger te voorkomen. De mijnbouw vormde immers een hoeksteen van Spanje's economisch beleid, kolen waren de belangrijkste bron van energie. Maar wanneer de mijnwerkers nu de straat opgaan is het om voor het pure voortbestaan van hun werk te vechten. Of tenminste voor een behoorlijke afvloeiingsregeling en het creëren van nieuwe werkgelegenheid in de regio.

De 21 mijnen rond het dorp Mieres zijn alle eigendom van de staat, die voor hun beheer in 1967 de firma Hunosa heeft opgericht. Hunosa lijdt al vijfentwintig jaar verlies en die verliezen worden met het jaar groter. Vorig jaar bedroegen ze naar schatting 100 miljard peseta (ongeveer 1,65 miljard gulden). Oorzaak is niet de afnemende vraag naar kolen, maar de hoge kosten die de winning in Asturië met zich meebrengt. In de tijd dat een mijnwerker in Mieres 171 kilo steenkool aan de oppervlakte brengt, heeft zijn collega in Duitsland of Engeland (de twee andere grote kolenproducenten van de EG) 590 kilo opgedolven. De kolen in Asturië zijn daarbij ook nog van slechte kwaliteit, zodat na het wassen ternauwernood de helft van het gewicht kan worden gebruikt. De produktiekosten van een ton kolen komen bij Hunosa op dertigduizend peseta (470 gulden). Dankzij contracten met elektriciteitscentrales die door de overheid worden gereguleerd wordt er elfduizend peseta voor betaald. Maar op de wereldmarkt is al Zuidafrikaanse steenkool te koop voor vijfduizend peseta, inclusief transport naar Spanje.

De EG eist van Madrid dat de subsidies in een redelijk tempo worden teruggebracht en het ministerie van industrie heeft daarvoor een plan opgesteld, dat begin vorig jaar na heftige schermutselingen gedeeltelijk is aanvaard. Van de achttienduizend banen bij Hunosa moeten er dit jaar in ieder geval vierenhalfduizend verdwijnen. Het voortbestaan van de hele onderneming wordt nog slechts tot het jaar 2002 gegarandeerd. De vakbeweging vindt niet dat de onrendabele mijnen open moeten blijven, maar vraagt wel om vervangende werkgelegenheid. Volgens officiële schattingen leeft meer dan de helft van de bevolking van Asturië direct of indirect van Hunosa en in de streek rond Mieres is die afhankelijkheid zo goed als totaal. Ook het welvaren van winkeliers, caféhouders en kleine zelfstandigen staat of valt er met de mijnen.

Eerdere saneringsoperaties in Asturië werden ondernomen onder het motto van een industriële omwenteling en droegen dan ook namen als het Plan voor de Reconversie (1981-83) en het Plan voor de Toekomst (1987-90). In de praktijk kwamen ze echter neer op het geheel ontmantelen van de ook al onrendabele staalindustrie en het inkrimpen van de kolenondernemingen via een genereuze vervroegde pensionering. Meer dan de helft van de gepensioneerden van Asturië woont nu in en om Mieres. Het plaatsje heeft zesduizend werklozen, waarvan zestig procent nog nooit heeft gewerkt. Van de tachtigduizend mensen die er dertig jaar geleden woonden, zijn er nog vijfenveertigduizend over.

“Het probleem is, dat we geen ondernemers hebben in Asturië,” zegt de bedrijfsleider van de Economato, de supermarkt-zonder-winstoogmerk die uit de gedwongen winkelnering is voortgekomen en alleen toegankelijk is voor vakbondsleden. Die mening wordt gedeeld door zijn klanten, door de oude en de jonge mannen in het café en door de vrouwen die op een park van de winterzon genieten in het nog altijd tamelijk welvarend ogende Mieres. Mijnwerkers geven hun geld gemakkelijk uit, ze houden van luxe. Zodra ze boven zijn, willen ze genieten van het leven. Op betaaldag stond bij de poort van de bedrijven tot voor kort altijd een groep marskramers met waardeloze rommel, drank, tabak, kapotjes, sjaaltjes en fluitjes. Tegenwoordig zijn er videotheken. Het waren Belgen en Fransen die in de vorige eeuw de mijnbouw industrialiseerden en het enige wat de Asturiërs daartegenover zetten was de vakbond, het syndicaat. Ook nu nog doen de bonden veel meer dan alleen de arbeidsvoorwaarden in het oog houden. Ze zorgen voor verzekeringen en spaarregelingen, ze hebben eigen tehuizen voor bejaarden en weeskinderen en ze beschikken over eigen kuurhotels voor zieke mijnwerkers, tot in Bulgarije toe. Maar mag je verwachten dat ze nu ook eigen fabrieken gaan beginnen?

De regionale regering gaat er van uit dat bij ongewijzigd beleid de komende tien jaar nog eens vijfenveertigduizend banen verloren gaan in het eens zo trotse Asturie. En zo'n wijziging is niet in zicht. Heeft minister van industrie Claudio Aranzadi niet gezegd dat het beste industriebeleid geen beleid is? Zijn de grenzen niet opengegaan voor efficiënt vervaardigde produkten uit West-Europa en wil de EG niet ook kolen en staal uit Oost-Europa gaan toelaten? En welke zinnige ondernemer begint er nu een bedrijf in een bergachtige streek zonder goede verbindingen maar mèt lastige bonden?

Mijnwerkers die in een flat wonen hebben op een landje buiten het dorp vaak nog één of twee varkens, die in december worden geslacht, en de mannen van het platteland verzorgen nadat ze uit de put omhoog zijn gekomen een paar koeien naast hun huis. Vroeger vijf of tien, nu nog maar één of twee - alleen voor eigen gebruik. Wanneer hun vaders een tijd werkloos waren, vielen ze terug op hun oude stiel en breidden ze de veestapel een beetje uit. Maar van vlees en melk valt niet meer te leven. Je legt er geld op toe. “Dat komt door Europa,” weet iedereen.

Uit het raam van zijn flat kijkt Luciano Fernandez uit op een groen dal, een rivier die grijs is van het kolengruis en een smalle weg die voert naar de mijn waar zijn kleinzoon werk heeft gevonden. Hij herinnert zich namen en gezichten uit de jaren twintig en dertig. Ramon Peña en Belarmino Tomas, de leiders van de socialisten. Hij heeft La Pasionaria nog de hand geschud. Vraag hem niet naar een oordeel over de politiek van vandaag de dag of over Europa. Hij is maar een domme mijnwerker en te oud om nog van partij te veranderen. Wel heeft hij de indruk dat de socialisten van nu niet meer dezelfde zijn als die van toen.