Ik wil dat je mij blijft schrijven; De literaire vriendschap van Georges Sand en Gustave Flaubert

Gustave Flaubert & George Sand: Wij moeten lachen en huilen. Brieven, vert., voorwoord en noten Edu Borger. Uitg. De Arbeiderspers, 566 blz. ƒ 62,50.

Zelden zal de volkswijsheid "uitersten raken elkaar' zo'n mooie illustratie hebben gevonden als in de briefwisseling die Gustave Flaubert en George Sand tussen 1863 en 1876 (tot Sands dood) voerden. Uit de vele honderden brieven en briefjes rijst het beeld op van twee mensen die in vrijwel alle opzichten naar karakter, naar opvattingen, naar levensbeschouwing en tot in de meest alledaagse voor- en afkeuren, elkaars tegenpolen waren - "antinomieën', om Sands term te gebruiken. Juist dit maakt deze omvangrijke correspondentie tussen de "oude troubadours' - zoals ze zichzelf noemen - zo boeiend: we ontmoeten twee gevestigde schrijvers van middelbare leeftijd (Flaubert was 42 en Sand 59 jaar oud bij het begin van hun briefwisseling) die zeker zijn van zichzelf en hun overtuigingen. Beiden weten uitstekend waar ze voor staan, ze kennen hun eigen kracht en zwakheid. Ze accepteren hun respectievelijke positie binnen de literaire "waardeschaal' en behoeven zich niet door elkaar bedreigd te voelen. Het is een vriendschap die gebaseerd is op die verschillen, een bij uitstek literaire vriendschap, niet in de zin dat hij op literaire belangstelling of opvattingen is gebaseerd, maar in de betekenis van een vriendschap die alleen in brieven kan bestaan. Want het valt ernstig te betwijfelen of zij in levende lijve ooit een zo hechte en veelzijdige relatie hadden kunnen ontwikkelen. Getuige de voortdurend uit- en afgestelde persoonlijke afspraken, en het feit bij voorbeeld dat, als Flaubert dan eindelijk eens bij Sand in Nohant komt logeren (samen met Toergenjev), George Sand al na een week in haar dagboek noteert: “Je leeft toch meer met het karakter dan met de intelligentie en de grootheid. Ik ben moe, ik heb spierpijn van mijn dierbare Flaubert... Hij radbraakt ons”, om vervolgens de levensvreugde en charme van Toergenjev te loven “die wij minder goed kennen en van wie wij minder houden.”

De warme, opgewekte hartelijkheid van George Sand die, omringd door kinderen en kleinkinderen, in het befaamde Nohant in de Berry woonde, lokte stromen vrienden en kennissen naar haar huis, waar men zich onder meer amuseerde met het marionettentheater waarvoor Sand zelf de poppen aankleedde en de stukken schreef. Flaubert daarentegen leidde een somber, gekweld kluizenaarsbestaan bij zijn bejaarde moeder in een klein landhuis in Croisset in Normandië. Hij was allergisch voor lawaai, geobsedeerd door zijn werk en had slechts contact met enkele goede vrienden. Na de dood van zijn moeder wordt hij een regelrechte misantroop en vervalt in uitzichtloze zwartgalligheid - “ik hoop zo snel mogelijk te creperen, want ik ben op, leeg, en ouder dan wanneer ik honderd jaar was.”

Royaal

George Sand produceerde met het grootste gemak voor een massa-publiek een niet-aflatende stroom boeken en verhalen. Deze verschenen eerst, zoals destijds bij populaire auteurs gangbaar was, als feuilleton in dagbladen, vervolgens in boekvorm, waarna in veel gevallen nog een toneelbewerking volgde. Ze leverden de schrijfster naast roem dan ook een aanzienlijk inkomen op - waarmee ze royaal en vrijgevig omsprong. Zo biedt ze Flaubert herhaaldelijk geld en andere financiële bijstand aan - die hij overigens nooit accepteert. Ten onrechte, zo blijkt uit deze brieven, is uit deze omstandigheden vaak afgeleid dat Sand het schrijven uitsluitend als een "broodwinning' zou beschouwen. Ze is en blijft van mening dat de literatuur tot taak heeft de samenleving te verbeteren, net als in haar vroege, heel uitgesproken romantisch-socialistische periode. Alleen heeft ze een rijper inzicht gekregen in de beperkte mogelijkheden ervan. En ze blijft, als volbloed vertegenwoordigster van de romantiek, bezieling en geestdrift beschouwen als de belangrijkste drijfveer, want “geslaagde kunstuitingen komen alleen uit een emotie voort en een emotie komt alleen uit een overtuiging voort. Je wordt niet ontroerd door iets waar je niet in gelooft.”

Flaubert, die zoals bekend uiterst moeizaam schreef en eindeloos polijste en peuterde tot zijn tekst de ideale vorm had, werd destijds beschouwd als een moeilijke, elitaire auteur voor een klein intellectueel publiek. Met Madame Bovary en het daaropvolgend proces had hij de literaire wereld en het door hem gehate "burgerdom' op hun grondvesten doen schudden - maar een "succès de scandale' was uitgebleven. In de periode van deze briefwisseling werkt hij aan De Leerschool der Liefde en de Heilige Antonius. Zijn paar boeken verkochten matig, de kritiek is hem slecht gezind, en als hij uit zakelijke overwegingen zijn krachten ook eens beproeft op een toneelstuk, wordt het een jammerlijke mislukking. Maar het levert hem wel een mooie brief van George Sand op, waarin ze hem glashelder de regels en recepten uiteenzet voor een stuk dat gegarandeerd succes zal hebben. Zijn onderwerp is met “te veel liefde voor de realiteit” behandeld. “Het theater is een kijkkast... je hebt er een geschilderde rozenstruik voor nodig... Het is... een soort oplichterij.” Hij lijdt zeer onder het gebrek aan publieke erkenning, maar weet zich soms te troosten “want ik schrijf (-) niet voor de lezer van vandaag, maar voor alle lezers die nog kunnen komen zolang onze taal leeft.”

Moordenaars

Ook politieke thema's spelen een grote rol in de briefwisseling. Ze dateren immers uit een turbulente periode waarin onder meer de Frans-Duitse oorlog en de Commune in Parijs plaatsvonden. George Sand blijkt er aanzienlijk gematigder opvattingen dan Flaubert op na te houden. De laatste lijkt in zijn politieke ideeën met een zeker genoegen zijn inktzwarte visie op de mens in het algemeen en zijn rabiate haat tegen het burgerdom in het bijzonder te combineren. Zo beschouwt hij bij voorbeeld het algemeen kiesrecht en de leerplicht als de oorzaak van nagenoeg alle kwalen van het Frankrijk van zijn tijd, want “de hele droom van de democratie bestaat uit het verheffen van de proletariër tot het domheidspeil van de burgerman.” Als aan het einde van de Commune de meest radicale groepen in wanhoop aanzetten tot de beruchte moord op de gijzelaars en het in brand steken van Parijs, is ook Sand diep geschokt door de gewelddadigheden van de "moordenaars en brandstichters', maar ze heeft niettemin een genuanceerdere visie op de gebeurtenissen: “ik heb diep medelijden met een klasse die er door een rauw, onwaardig leven zonder ontplooiing en zonder hulp toe gebracht wordt dergelijke monsters voort te brengen.” Daarnaast zijn beiden het er echter over eens dat de opkomst van het neokatholicisme een grote bedreiging voor het morele peil van het land inhoudt. “Alles gaat te gronde tussen de Onbevlekte Ontvangenis en de etensbak van de arbeider”, schrijft Flaubert al in 1868.

De vriendschap in brieven van deze zo verschillende mensen moet beiden tot steun zijn geweest. Er spreekt een grote zorgzaamheid (óók van de kant van Flaubert) en diep respect voor elkaars opvattingen en gevoelens uit, zonder dat één van beiden ooit een blad voor de mond neemt. Bijna aangrijpend zijn de brieven waarin Sand probeert Flaubert op te heffen uit zijn zwartgalligste buien - als hij niet alleen de mens en de wereld, maar ook het schrijven niet meer ziet zitten. Duidelijk is dat haar brieven in die periode allereerst zijn bedoeld om Flaubert tot terugschrijven te verplichten - “Ik heb liever dat je klaagt dan dat je zwijgt, lieve vriend, en ik wil dat je mij blijft schrijven” - omdat ze de vermoedelijk terechte angst koestert dat Flaubert elk menselijk contact zal verbreken, nu hij zo vaak zegt liever dood te willen zijn.

De verleiding is groot om voortdurend uit de brieven te citeren, omdat beide correspondenten zich kernachtiger en beeldender uitdrukken dan welke samenvatting ook kan zijn. Het zijn levende, ademende brieven die een integrale vertaling alleszins rechtvaardigen. Een kleine opmerking terzijde: de uitgever meldt op de achterflap dat vertaler Edu Borger de brieven bijeenbracht, annoteerde en van een voorwoord voorzag. Dat klopt grotendeels: Borger heeft ze uitstekend vertaald, van informatieve noten over personen en historische omstandigheden voorzien en een boeiend voorwoord geschreven. Maar hij heeft ze niet bijeengebracht - dat is gebeurd door wijlen Alphonse Jacobs, tijdens zijn leven leraar Frans in Koudekerke, zoals Borger zelf overigens in zijn voorwoord meldt.