Het CNV is op zoek naar "immateriële meerwaarde'; Christelijke bond worstelt met individualisering samenleving

UTRECHT, 5 MAART. Het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) heeft zichzelf doorgelicht. De diagnose is niet mals: als structuur en werkwijze niet drastisch veranderen dan is het binnen afzienbare tijd gedaan met het CNV.

In Nederland geen vakcentrale op christelijke grondslag in de volgende eeuw? Dát vooruitzicht kon de vorig jaar aangetreden voorzitter A.A. Westerlaken niet verdragen. Al vóór zijn benoeming deed hij kond van de missie die hem voor ogen stond: het CNV moest de bedrijven in en zijn positie op lokaal en regionaal niveau versterken, anders was het ten dode opgeschreven.

Uit de deze week verschenen nota Toekomst maken we samen blijkt dat Westerlaken zijn achterban inmiddels heeft kunnen overtuigen van de noodzaak van verandering. Want in vrijwel alles wat er in staat, klinkt his master's voice door, ook al zat hij zelf niet in de werkgroep die het zelfonderzoek verrichtte.

De constatering dat er iets mankeert aan structuur en werkwijze van de vakbeweging is allerminst origineel. De FNV - met 1,1 miljoen leden meer dan drie keer zo groot als het CNV dat 329.000 leden heeft - kwam tien jaar geleden tot dezelfde conclusie, maar daar verzandde de "structuurdiscussie'.

De problemen bij het CNV verschillen ook niet wezenlijk met die van de FNV, of het moet zijn dat de (financiële) nood onder met name de kleine CNV-bonden schaalvergroting daar nog urgenter maakt. Wat dat betreft krijgen ze wellicht de rekening gepresenteerd van het feit dat ze in 1974 afhaakten bij de samensmelting tussen de vakcentrales NVV (van sociaal-democratische origine) en NKV (katholiek). Oud-CNV-voorzitter M. Ruppert verwoordde de gevoelens daarover in de christelijke vakbeweging eens als volgt: “Fusering met de FNV is heel goed mogelijk, mits de FNV een christelijke beweging wordt”.

Maar er is ook nog iets anders aan de hand. Traditioneel zit het sociaal-economische beleid in Nederland nogal centralistisch in elkaar. Dat heeft er toe geleid dat de vakbeweging zich sterk oriënteerde op "Den Haag' en haar wortels in de bedrijven niet echt liet groeien, ook niet toen de organisatiegraad bedenkelijk zakte: eén op de vier werknemers is op het ogenblik lid van een vakbond.

In Den Haag valt voor de vakbeweging echter allengs minder te verdienen. De politiek trekt zich wat terug uit de sociale economie en de vakcentrales moeten teleurstelling op teleurstelling incasseren: over vergroting van de arbeidsparticipatie vallen geen zaken te doen, de "koppeling' wordt keer op keer buiten werking gesteld, de WAO is onder vuur genomen, de aanval op bovenwettelijke uitkeringen in CAO's is geopend en als het aan het kabinet had gelegen was de vakbeweging dit jaar ook nog op de "nullijn' gezet.

Tegelijkertijd is het afgelopen decennium zowel bij ondernemers als bij werknemers de behoefte gegroeid aan meer variatie in beloning en werktijden. Daardoor verschuift het zwaartepunt in het overleg over arbeidsvoorwaarden steeds meer naar het niveau van de bedrijfstakken en bedrijven.

Voorzitter D. Terpstra van de Industrie- en voedingsbond CNV vatte het resultaat van beide ontwikkelingen bij de presentatie van het CNV-nota deze week kernachtig samen: We zijn sterk op die plaatsen waar de beslissingen steeds minder worden genomen (lees: in Den Haag), en we zijn zwak op die plaatsen waar de beslissingen in toenemende mate worden genomen (lees: in Brussel en in de bedrijven).

Een vakbeweging die dit negeert zet zichzelf buiten spel en biedt ruimte aan categorale organisaties die meer gespitst zijn op het behartigen van specifieke deelbelangen. Westerlaken stak zijn irritatie daarover vorig jaar niet onder stoelen of banken toen hij, onder verwijzing naar de spoorwegbond FSV en de verplegersbond NU'91, sprak over “bloedzuigen met een vampiersmentaliteit”. Zij zouden illustreren dat “de individualisering is doorgeschoten”, maar hij zei er niet bij dat de klassieke vakbeweging hier zelf onvoldoende bij de les is geweest. Want het CNV mag zich dan graag afficheren als een “aanvallende middenveldorganisatie”, maar dat kan niet verhullen dat hij, net als de FNV, bijna permanent in de verdediging wordt gedrongen, of zich laat dringen.

Het CNV wil dit nu veranderen, te beginnen bij een aanpassing van structuur en werkwijze. Uit een onderling fonds moet de smeerolie komen: relatief rijke bonden als de Hout- en bouwbond en de Industrie- en voedingsbond betalen projecten die de overige, merendeels relatief arme, bonden in staat moet stellen ledenwinst te boeken en "witte vlekken' (zoals in het midden- en kleinbedrijf en de dienstensector) in te kleuren. Uiteindelijk moet het uitmonden in intensieve samenwerking binnen een zestal "clusters': overheid, onderwijs, industrie en voeding, hout en bouw, zorgverlening en zakelijke dienstverlening.

Het wordt in de nota opgedist met een boel peptalk voor de eigen gelederen en doet in de uitwerking sterk denken aan de firma die business units wil vormen en zich een nieuwe corporate identity aan wil meten. Er zijn weliswaar nog altijd FNV'ers die in CNV'ers vooral “verdeelheidszaaiers” en “kapitalistenknechten” zien, maar voor de buitenwacht vallen beide organisaties steeds minder van elkaar te onderscheiden.

Daarin moet de beoogde vernieuwing dus verandering brengen. De bijbehorende herprofiliering gaat niet zo ver, dat het CNV niet langer aan het gebod Gods gehoorzaam zal zijn. Want het evangelie moet richtsnoer blijven, vindt de werkgroep. “Niet vanuit verzuilingsargumenten, maar vanwege inhoudelijke redenen bestaat de overtuiging dat het zin heeft als zelfstandige christelijke-sociale beweging te blijven voorbestaan.”

Het moet voor het nieuwe "visieprogram' volgend jaar allemaal nog worden uitgewerkt. Maar de belangrijkste trefwoorden staan vast: participatie, duurzaamheid en solidariteit, vanzelfsprekend doordrenkt van de vertrouwde calvinistische concepten over versobering en soevereiniteit in eigen kring. De nadere invulling moet het CNV aan de "immateriële meerwaarde' helpen die nodig wordt geacht voor vergroting van zijn “herkenbaarheid en zichtbaarheid op de werkplek en in de leefomgeving”. Dan moet ook blijken of de tijd, waarin het CNV zijn identiteit vooral lijkt te ontlenen aan zijn rol als gematigde tegenhanger van de FNV, voorbij is.