Hernieuwd register van biografische en bibliografische gegevens uit de 19de eeuw; Leve het levensbericht

Het register is verkrijgen door ƒ 25,00 te storten op girorekening 438.4197 t.n.v. Maatschappij Nederlandse Letterkunde Leiden, o.v.v. "Register'

Op het eerste gezicht lijkt het een gewoon register. Een blauw boekje van 96 pagina's met als titel Register op de levensberichten van de leden der maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 1766-1991. Maar wie de levensberichten van de "Leidse Maatschappij' kent, weet dat dit register een onmisbare sleutel is tot een van de rijkste bronnen voor biografische en bibliografische informatie over negentiende-eeuwse letterkundigen, wetenschappers en politici.

Toen de Maatschappij in 1991 haar 225-jarig jubileum vierde, nam de "Commissie voor de Publikaties' het besluit het oude register te laten bewerken. Dat was in 1960 onder tamelijk tragische omstandigheden verschenen. Dr. A.H.M.C. Kessen, indertijd bibliothecaris van de Maatschappij, had het werk in 1955 voltooid. “Het zou reeds kort daarna in druk zijn verschenen”, aldus het voorwoord bij dit register, “indien niet een langdurige, smartelijke ziekte de auteur belet had, de laatste hand aan dit werk te leggen. Nog in de laatste weken, voorafgaand aan zijn toch nog onverwacht overlijden (...), zijn de gedachten van Dr. Kessen uitgegaan naar dit, zijn zorgenkind”.

Het zorgenkind van Kessen is sinds lang uitverkocht. Talloze wetenschappers bezitten het slechts in kopie. Die kunnen hun exemplaar binnenkort vervangen, want deze week verscheen de door Rob van de Schoor bewerkte editie.

Dr. R.J.M. van de Schoor (33) is tijdelijk als docent 19de eeuwse letterkunde verbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Sinds enkele jaren redigeert hij voor de Leidse Maatschappij de nieuwe levensberichten. Een lastige klus, want anders dan de naam van de Maatschappij doet vermoeden zijn lang niet alle leden in letterlijke zin letterkundigen.

Van de Schoor ging bij het herzien van het register van Kessen grondig te werk, hoewel hij zijn arbeid zelf herhaaldelijk relativeert. Hij zette alle gegevens in een database en gaf de computer opdracht de alfabetische rangschikking om te zetten in een chronologische. Met die chronologische lijst in de hand nam Van de Schoor vervolgens alle jaarboeken van de Maatschappij door om de gegevens over de levensberichten te controleren.

Eigenlijk viel de schade wel mee. Hij vond op deze manier een “handvol grotere fouten en omissies”, schrijft hij in het voorwoord. Zo moest men de gegevens over het levensbericht van A.C. Kruseman, uitgever te Haarlem en schrijver van een standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlandse boekhandel, in het register van Kessen zoeken tussen de namen Honingh en Hooff - drie letters te vroeg in het alfabet. “Er is een brief bewaard waarin Kessen de drukker als het ware smeekt om deze fout te herstellen”, vertelt Van de Schoor, “maar kennelijk is dat er niet van gekomen.”

Bij het doorwerken van de Jaarboeken ontdekte Van de Schoor bovendien dat het levensbericht van de zeer invloedrijke Utrechtse taalkundige C.G.N. de Vooys helemaal niet in het register van Kessen voorkomt. Dit zal niet alleen biograaf C.B. van Haeringen hebben ontstemd, er moeten in de afgelopen decennia talloze Neerlandici zijn geweest die zich hebben afgevraagd hoe toch een necrologie van zo'n belangrijke taalkundige kon ontbreken.

De reden had overigens ook kunnen zijn dat De Vooys geen levensbericht wilde: sommige leden verzochten hier nadrukkelijk om. Van de Leidse hoogleraar Jacob Geel is bekend dat hij in 1856 zijn lidmaatschap van de Maatschappij opzegde om in de toekomst van een levensbericht verschoond te blijven.

Van de Schoor kwam bij het doorwerken van de Jaarboeken tot de conclusie dat de omvang van de levensberichten aan een golfbeweging onderhevig is geweest. Voor 1849 werden “afgestorven medeleden” door de voorzitter herdacht tijdens de jaarlijkse openingsrede. Die volstond soms met een paar regels, soms met twee of drie bladzijden tekst. Na 1849 worden de levensberichten samengesteld door vrienden of collega's. In het begin zijn die in memoria bescheiden van omvang, maar naarmate de 19de eeuw vordert, neemt het volume toe - tot het bijkans boeken zijn van een kleine zeventig pagina's.

“Dat ging de redactie op een gegeven moment blijkbaar te ver”, aldus Van de Schoor. “Een paar jaar lukt het om het formaat terug te dringen, maar dan dijen ze steeds verder uit.”

Veel van de levensberichten zijn een genot om te lezen. Ze zijn geschreven in de gezwollen, bloemrijke, maar ook zeer sierlijke taal die het Nederlands van de 19de eeuw kenmerkt. De lezer komt allerlei details over het karakter te weten en kritiek wordt niet gespaard. In sommige levensberichten wordt over het hoofd van de overledene een polemiek voortgezet die blijkbaar het leven van de herdachte al beheerste. Die polemieken zijn vooral sterk vertegenwoordigd in levensberichten die sommige leden over zichzelf schreven - wat toch zoiets is als speechen boven je eigen kist!

Maar het gaat niet alleen om de biografische informatie. Veel levensberichten - vooral van letterkundigen - besluiten met een gedetailleerde "Lijst van werken'. Hierin treft de onderzoeker artikelen aan die hij anders nooit zal vinden. Het komt ook voor dat de biograaf pseudoniemen verklapt of de letterkundige in kwestie aanwijst als auteur van ongesigneerde pamfletten, artikelen of kranteberichten.

Het kostte Van de Schoor bij het doorwerken van de Jaarboeken soms moeite om zich te beperken tot het register. De mooiste levensberichten kopieerde hij. Ook aan de talloze literatuuroverzichten kon hij geen weerstand bieden. Hij nam al deze lijsten door op publikaties die zijn voorzien van de aanduiding: “Niet in den handel” - een aanduiding die in het hedendaagse antiquariaat doorgaans zorgt voor gepeperde prijzen. “Dat is lang niet altijd terecht”, lacht Van de Schoor. “Het dagblad Nieuws van den dag gaf bij wijze van premie jarenlang romans uit met het predikaat "Niet in den handel'. Die romans werden echter in grote oplagen gedrukt.”

Over de tientallen boekjes die Van de Schoor op deze manier ontdekte - informatie die hij aanvulde door een bekend letterkundig woordenboek door te vlooien - schreef hij een zeer lezenswaardig artikel voor een van de komende nummers van De Boekenwereld, een tijdschrift waarop iedere boekenliefhebber zich per omgaande zou moeten abonneren. Van de Schoor besluit dit artikel met een voorlopige lijst van 19de eeuwse letterkundige publikaties die buiten de handel werden gehouden. De titels in deze lijst zijn soms aangrijpend. Zo publiceerde de Utrechtse hoogleraar H.J. Royaards in 1836 in eigen beheer een boekje met de titel: Bij den dood van ons pasgeboren zoontje, zes weken na het afsterven van ons enig dochtertje. Vier jaar eerder had Royaard in eigen beheer een boekje uitgegeven getiteld Klaagzang bij den vroegen dood mijner onvergetelijke gade. Wie wil weten wat voor effect deze tegenslagen hadden op het leven van de Utrechtse hoogleraar, weet nu waar hij moet zijn: bij de levensberichten van de leden der maatschappij der Nederlandse letterkunde.

Dankzij het degelijke werk van Rob van de Schoor hoeft men niet mis te grijpen.