Geen probleem

Joris Denoo: Eén paar kinderen, graag. Met tekeningen van Machteld Bernaert. Uitg. Lannoo. ƒ 24,50. Vanaf 9 jaar.

Wouter Klootwijk:, Het erf van de oom van Adri. Met tekeningen van Philip Hopman. Uitg. Leopold. ƒ 24,90. Vanaf 7 jaar.

Hoe ga je om met: gescheiden ouders, géén ouders, rood haar, een lelijke kop, pesterijen, ouders met losse handen, een donkere huidskleur, aanpassingsproblemen, bedplassen, eeuwig geldgebrek of een handicap? De afgelopen vijfentwintig jaar hebben kinderboekenschrijvers zich in bochten gewrongen om de meeste uiteenlopende Problemen bespreekbaar te maken en zo mogelijk zelfs oplossingen te verstrekken. Inmiddels is zo'n beetje alles de revue gepasseerd en moet je als schrijver wel van goeden huize komen om zo'n thema nog op een verfrissende manier aan te pakken. Geen probleem of er bestaat wel een kinderboek over.

Geen wonder dat sommige kinderboekenschrijvers het wat de lasten des levens betreft voor gezien houden. Zij zoeken het eerder in het avontuur, of in het fantasieverhaal, of in het ongecompliceerde leven. En dat laatste levert meteen weer nieuwe problemen, want schrijf maar eens een boeiend boek over alledaagse gebeurtenissen in een kinderleven. Dat vereist om te beginnen gevoel voor sfeer, en een beetje humor. Vervolgens moet er een hoofdpersoon komen: een gewoon, gezond kind (meer mag ook) met gewone, niet al te vervelende ouders, een goed stel hersens en enige sociale vaardigheden. Hoe nu verder?

Daarvoor moeten we niet bij de Vlaamse schrijver Joris Denoo zijn, vrees ik. In zijn boek Eén paar kinderen, graag gaat het al mis in het eerste hoofdstuk, als de olijke meisjestweeling zich vol overgave wijdt aan het winkeltje spelen. Tussen deze Han en Sarah voltrekt zich een dialoog die volslagen ongeloofwaardig is, omdat de meisjes hun zinnen uitspreken alsof ze ten overstaan van familie en bekenden een toneelstukje tussen de schuifdeuren opvoeren. De grappen vliegen over en weer, terwijl je toch mag aannemen dat winkeltje spelen voor kinderen een uiterst serieuze aangelegenheid is en dat ze zeker niet uit zijn op effect, dit in tegenstelling tot Joris Denoo.

Die cabareteske benadering beheerst het hele boek. Soms zijn de situaties waarin Denoo de tweeling plaatst herkenbaar en vermakelijk (bij voorbeeld als Sarah in discussie gaat met het antwoordapparaat van de huisarts), maar de juiste toon wil hij maar niet te pakken krijgen. In Eén paar kinderen, graag wemelt het van de accenten en uitroeptekens, van termen als "foetsjie!', "pardaf!' (?) en "oef!'. "Beregezellig' natuurlijk, maar hoogst vermoeiend, omdat de personages elkaar voortdurend lijken toe te schreeuwen en elkaar wat gevatheid betreft naar de kroon proberen te steken. Mij stoorde dat veel meer dan het Vlaams, met woorden als "madammentas' en zinnen als "Telkens de helikopter opstijgt, moeten de mensen een eind opzij gaan staan'.

In vergelijking met Eén paar kinderen graag (dat om duistere redenen bekroond werd met de Prijs Tielt Boekenstad 1992, een tweejaarlijkse prijs voor een ongepubliceerd verhaal voor kinderen tussen de acht en de twaalf) is Wouter Klootwijks Het erf van de oom van Adri een wonder van ingetogenheid. Het drietal Wim, Adri en Martje, dat we al kennen uit De brug van Adri (1991), beleeft in dit boek een reeks nieuwe avonturen die zich ditmaal grotendeels afspelen op het van schroot en oude rommel vergeven erf van "de oom'. Deze oom, in het vorige boek een nogal geheimzinnige figuur die regelmatig ter sprake kwam alvorens hij aan het eind zijn opwachting kwam maken, krijgt in Het erf van de oom van Adri veel duidelijker gestalte. De kinderen zijn gefascineerd door deze aartsscharrelaar, een man die wars is van conventies, of, zoals Adri het zegt: "Mijn oom eet rustig alle vissen op, dat kan hem niks schelen, maar hij geeft ook alles weg, hij denkt er niet zo lang over na.'

In De brug van Adri liet Klootwijk al zien dat hij in staat is levendig te schrijven over gewone kinderen in alledaagse situaties, wat - zie boven - lang niet zo makkelijk is als het lijkt. Het aardige van dat boek, maar ook van het vervolg, is dat de avonturen van Wim, Martje en Adri zowel spannend als herkenbaar zijn: met z'n drieën slapen in een caravan op het erf van je oom en zelf eieren bakken, hangend aan een hijskraan over de vaart geslingerd worden - voor de meeste stadskinderen geen haalbare kaart, maar voor kinderen die buiten wonen wel. Klootwijk beschikt over een sterk inlevingsvermogen als het om kinderen gaat; zijn drietal lijkt volstrekt naturel en de gesprekken die ze onderling voeren al evenzeer. En wat die oom betreft, die heeft vast wel iets weg van de schrijver: een volwassene die toch een beetje kind is gebleven.