Er is niets redelijks aan deze muziek; Little Richard, de stem van de rock 'n roll

Little Richard was voor 1955 een niet onverdienstelijke rhythm & blueszanger met mascara en een te berge rijzende haardos. Maar met ”Tutti Frutti' leek hij een ”mystieke krachtbron aangeboord te hebben die voordien alleen toegankelijk was voor predikers en sjamanen'. Dinsdag treedt hij voor het eerst op in Nederland. “Elvis had al laten zien dat je blank én ”cool' kon zijn, maar wat Little Richard in blanke ”kids' wakker maakte, was de geheime wens om zelf zwart te zijn.”

Dinsdag 9 maart treedt Little Richard op in Ahoy' in Rotterdam

Hoe zou de wereld er uit hebben gezien zonder rock 'n roll? Oud, vroeg oud. Er zouden nog wel kinderen rondlopen, maar hun ogen zouden blanco zijn, zonder uitdrukking. Het zou al lang geleden ”1984' zijn geweest en, erger nog, 1984 zijn gebleven, wanneer in 1954 in het Zuiden van de Verenigde Staten een stel opgeschoten jongens niet het deksel van de put hadden gelicht, waarin het op de achterbank van een Buick verwekte onwettige kind van de Heilige Geest en de Duivel zat opgesloten. Een enorme steekvlam zette de nacht in lichterlaaie en de kleine Richard Wayne Penniman was degene die, toen dat gebeurde, het dichtst bij het vuur stond. Zeker, Elvis was er ook bij (hij was de eerste die de boodschap over zou brengen), en Jerry Lee Lewis stond grijnzend als een kippendief toe te kijken, en Chuck Berry noteerde alles op rijm, (en zo waren er nog wel meer op wie de vonk oversprong), maar alleen in Little Richard was Het Woord van de ”spirit of rock 'n roll' werkelijk en uitbundig vlees, nee stem geworden. Het Woord waarmee alle muzikale, sociale, seksuele en spirituele afspraken van na-oorlogs fatsoen in een oogwenk van tafel werden geveegd, en dat voor een hele generatie het wachtwoord was om zich van hun ketenen te bevrijden, een tegencultuur van de verbeelding te formuleren en tenslotte met de saxofoon in de hand de macht te grijpen. A Wop Bop A Loo Bop A Lop Bam Bam / Tutti Frutti / Aw Rooty / Tutti Frutti / Aw Rooty / Tutti Frutti / Aw Rooty / Tutti Frutti / Aw Rooty / A wop bop a loop bop a lop bam boom.

“Alsof er een atoombom in mijn hersens ontplofte” (Hunter Thompson), “een erectie van mijn hart” (Dave Marsh), “alsof ik frontaal in botsing kwam met een tornado” (Simon Frith): de beschrijving van het moment dat men voor het eerst de stem van Little Richard hoorde doet velen vertwijfeld naar grove middelen grijpen. “His voice left the listener intensely high as though he had sniffed a gram of toot, drunk a bottle of Jack Daniels, and reached a sexual orgasm all at once. Instant ecstasy.” Aldus de Engelsman Charles White in The Life And Times Of Little Richard, het in 1984 verschenen levensverhaal van de man die White, naar het sterkst stralende object in de kosmos, ”The Quasar Of Rock' heeft genoemd.

Diabolisch

”The Originator', zoals hij zichzelf graag betitelt, werd ruim 60 jaar geleden geboren in Macon, Georgia, in een gezin met twaalf kinderen. Hij vreesde zijn vader en aanbad zijn moeder, die hij bij voorkeur begluurde wanneer zij in de slaapkamer haar hals met rozenwater besprenkelde. Hij was ondeugend op het diabolische af, poepte bij vreemden in vazen en pannen, werd wegens zijn wiegende manier van lopen (zijn ene been was korter dan het andere), uitgescholden voor ”flikker' en vond, eenmaal grondig verleid, een gastvrij onthaal in de Fellini-achtige zwarte homo-scene van Macon. Een stad waar iedereen zong: de vrouwen tijdens het doen van de was achter het huis, de groenteboer (”Blackeyed peas / And a barrel of beans / Grocer man comin' with a cart of greens'), de straatveger en de man die met een wasbord over straat zwierf en riep ”Bam-a-lam-bam / You shall be free / In the Morning / You shall be free'. De versmelting van deze muziek van de straat met het gospelvuur (”I love God - whooooooo'!) van de dames in de kerk, die met hun hoge hakken de duivel terug de grond in probeerden te stampen, en de hitsige dansritmes van de travestieten-revue waarin hij korte tijd optrad, vormt de hete kern van de rock 'n roll van Little Richard, zoals die op 14 september 1955 in de studio van Cosimo Matassa (een achterkamer in een meubelzaak) in New Orleans op de valreep van zijn tweede opname-sessie voor het Specialty-label explodeerde in Tutti Frutti, waarvan de liederlijke tekst (”Good booty - if it don't fit, don't force it!') door een plaatselijke songschrijfster te elfder ure was gekuist tot een kinderrijmpje.

Voor die tijd was Little Richard niet meer geweest dan een niet onverdienstelijk rhythm & blueszanger in de trant van zijn idool, Billy Wright, van wie hij ook de mascara, de te berge rijzende haardos en de moord en brand schreeuwende pakken had overgenomen. Maar met Tutti Frutti leek hij, om Charles White te citeren, ”een mystieke krachtbron aangeboord te hebben die voordien alleen toegankelijk was voor predikers en sjamanen'. Alle songs die Richard tussen 1955 en '57, eerst met de genadeloze band van Fats Domino en later met een niet minder geïnspireerde studioband in Los Angeles, heeft opgenomen, genereren een alle perken te buiten gaande energie. Long Tall Sally (met het als een drumroffel uitgespuwde zinnetje ”when he saw Mary comin', he-ducked-back-in-the-alley'), het als de slang in het Paradijs zo verleidelijk lispelend gezongen Baby, het om moeder schreeuwende Can't Believe You Wanna Leave, de kokette snik bij het uitspreken van de naam Lucille, het van ongeduld popelende Ready Teddy, het uit zijn vel springende Rip It Up, en overal halverwege, ten teken dat de saxofoon alvast de ergste rotzooi op kon komen zuigen: Au! of Aaaah!, de extatische ”primal scream', tussen lust en pijn, van iemand die zich expres op zijn duim slaat.

Nee, er was niets maar dan ook niets redelijks aan deze muziek, die in al zijn uitzinnigheid gestalte gaf aan een vitaliteit die met name in blanke jongeren stil was geweest tot Little Richard er stem aan verleende. Net zoals ze al snel geen genoegen meer namen met de gesteriliseerde versies die ”EO-gezicht' Pat Boone van de songs van Little Richard opnam, sprongen ze tijdens zijn optredens en masse van de ”alleen-voor-blanken' bestemde balkons om zich dansend onder het zwarte publiek in de zaal te mengen. Elvis had al laten zien dat je blank én ”cool' kon zijn, maar wat Little Richard (tot grote ontsteltenis van de ouders die in hem een door seks bezeten psychotische zwarte gilnicht zagen) in blanke ”kids' wakker maakte, was de geheime wens om zelf zwart te zijn. Om bevrijd te worden van dat wit weggetrokken, door de vampieren van het Christendom leeggezogen, je alle lust benemende blanke vel om je leven, en weer wat kleur te krijgen in je ziel.

Houten kaken

Nog meer ophef, waar het rassenscheiding betreft, veroorzaakte hij in 1956 dankzij The Girl Can't Help It, de eerste kleurenfilm waar zwarten een rol van betekenis in vervulden, door een scène waarin Jayne Mansfield haar bontstola afdoet en met haar landschappelijke figuur langs het podium van de nachtclub deint, waar Richard, hamerend op de toetsen alsof hij ze dwars door de houten kaken van zijn piano wil slaan, haar golfbewegingen verrukt hoofdschuddend na staat te kijken en gilt ”She's got it! Oh baby, she's got it!'

Rock 'n roll-extravagantie, het doorbreken van raciale en seksuele barrières, cultuurverschuivende muzikale provocaties: Little Richard heeft het boek geschreven waar latere goden als Jimi Hendrix (die gitarist bij Richard is geweest), Prince, Michael Jackson, Tina Turner, James Brown, Lennon-McCartney en Jagger-Richards hun lesje uit hebben geleerd. Twee jaar lang toerde hij met zijn band The Upsetters in een Cadillac waarvan de kofferbak gevuld was met dollarbiljetten door een verbijsterde wereld, een spoor van vreugdevolle verwoesting en de resten van een reeks door hem bij voorkeur als toeschouwer bijgewoonde orgieën achter zich latend. Tot hij in 1957 tijdens een optreden in Australië de eerste Russische Spoetnik als een rode vuurbal langs de hemel zag trekken en daarin een duidelijk teken van het naderende einde van de wereld zag. Deze openbaring, gevoegd bij zijn vliegangst, contractuele problemen met Specialty, de invloed van huis-aan-huis prediker Brother Wilbur Gulley en het feit dat hij geplaagd werd door schuldgevoelens over zijn ”unnatural affectations', deed hem (voor de eerste, niet de laatste keer) besluiten de Glorie van het Woord te gaan verkondigen en voortaan alleen nog te zingen voor de Heer. Of je nu zwart bent of blank als Elvis of Jerry Lee, hetero of homo, geen ”southern child' ontkomt aan de apocalyptische visioenen die het gevolg zijn van het conflict tussen rock 'n roll en religie, de dialectiek van lust en boete.

Maar na vijf kalme jaren waarin hij het evangelie predikte en voor de vorm zelfs korte tijd getrouwd was geweest, was de maat vol. Sam Cooke dreigde tijdens het eerste optreden van een gezamenlijke toernee door Engeland, waarbij Richard alleen gospels zou zingen, de show te stelen en al de volgende avond was The Second Coming een feit. De platen die hij in de daaropvolgende periode opnam, kunnen, enkele uitzonderingen daargelaten, de vergelijking met zijn eerste creatieve uitbarsting niet doorstaan, maar op het toneel was hij, uitzinniger dan ooit, het zwaar opgemaakte oog van een kosmische cycloon. Little Richard is een van de zeldzame performers die geen aanloop nodig heeft. Met zijn stem die in het laag klinkt als een vrouw die een man nadoet en in het hoog als een man die een vrouw nadoet, maar dan unisono, begint hij op de top van de berg en gaat dan klimmen. En zijn charisma had er een krachtige dimensie bijgekregen doordat hij zich nu volledig was gaan identificeren met wat hij had ontketend. Zoals onder meer blijkt uit een door Greil Marcus in zijn boek Mystery Train aangehaald incident tijdens een aflevering van The Dick Cavett Show, waarbij Little Richard middenin het pinnige academische twistgesprek dat zijn medegasten, de criticus John Simon en de auteur van Love Story Erich Segal, aan het voeren zijn, opspringt op het moment dat Segal met een zuinig mondje zegt “Nog nooit in de hele geschiedenis van de kunst...” “HOEZO NOOIT IN DE HELE GESCHIEDENIS VAN DE KUNST”, roept Richard met dezelfde hartverlammende intensiteit als waarmee hij Tutti Frutti inzet, “WAT WEET U DAARVAN, MENEER DE CRITICUS? I AM ALL OF IT, LITTLE RICHARD HIMSELF VERY TRULY THE GREATEST, THE HANDSOMEST!” En, megalomaan als het klonk, gelijk had hij. Geen enkele schrijver, schilder, denker heeft de cultuur van de tweede helft van de twintigste eeuw zo radicaal op zijn kop gezet en betekenisvol nieuw leven ingeblazen als Little Richard, het uit hyperbool en ondeugd geboren wezen dat dinsdag aanstaande, ik kan het niet anders zeggen, voor het eerst in de geschiedenis in ons land optreedt.