De lach van het leedvermaak

Je zit in een luie stoel of ligt languit op de bank. Buiten raast de wereld voort, maar in huis is het stil. Je leest een boek. Je ogen glijden over het papier, argeloos en niets vermoedend, maar plotseling is hij daar: de lach!

Onverwacht is de lach uit het niets opgedoken. Een explosie in een landschap, dat er tot dusver onaangetast had bijgelegen. Het begint, geloof ik, in het middenrif met een felle steek die zich onmiddellijk daarna, via de longen, voortplant naar de keel, alwaar de aanwezige lucht in korte stoten naar buiten wordt geperst. De lach doet zich voor in allerlei toonhoogten, maar het basisgeluid klinkt altijd als: ha-ha-ha!

Als de lach onbedaarlijk is, gaat hij meestal over in een toestand, die ook wel schuddebuiken wordt genoemd. Een nieuw stadium breekt aan, als de tranen ons ook nog in de ogen springen. Is de lach totaal, dan kan hij nog dagen nawerken. Dan overvalt hij ons zomaar op straat en als er geen paard in de buurt is dat wij om de hals kunnen vallen, is het zaak steun te zoeken bij een lantaarnpaal. Een schrijver die mij vaak tot zo'n lach heeft aangezet, is W.F. Hermans. Zo heeft Hermans in 1982 een stuk geschreven, waarover ik nog steeds op de vreemdste plaatsen en tijdstippen in lachen uitbarst. Dat stuk ging over Charles Vergeer. Die Vergeer had met veel poeha een paar artikelen over Nietzsche gepubliceerd, waarin hij op hoge toon liet weten dat hij de enige was in Nederland, die met enig recht over Nietzsche mocht schrijven.

En toen kwam de man met de hamer. Hermans wees erop dat Vergeer in zijn vertaling van Also sprach Zarathustra een vreselijke blunder had begaan. Bij Nietzsche wordt gesproken van "einen jungen Hirten', die "kronkelend, kokhalzend, schokkend en met een verwrongen gelaat' op de grond ligt. Nietzsche had nog zo gezegd: “Daar lag een mens!”, maar in de vertaling van Vergeer was de "junge Hirten' geen jonge herder geworden, maar een jong hert. Een jong hert dus, met een verwrongen gelaat.

In zijn verantwoording had Vergeer ook nog uitgelegd hoe briljant het van Nietzsche was geweest om zomaar met een absurd verhaal over een hert op de proppen te komen. Toen ik dat stuk van Hermans las, moest ik onbedaarlijk lachen, en dat heb ik nog steeds. Telkens als ik met mijn dochter een kinderboerderij bezoek, waar een hert rondloopt, moet ik oppassen dat ik niet kronkelend en schokkend van het lachen over de grond rol.

Dat stuk van Hermans is al oud, maar van de week, toen ik het nieuwe boek van Gerard Reve las, had ik het weer - die alles verzengende, schuddebuikende, ongetwijfeld uit leedvermaak geboren, lach. In Brieven van een aardappeleter beantwoordt Reve op pagina 136 een brief van ds. C.B. Dekker, luchtmachtpredikant van de vliegbasis Gilze-Rijen. De dominee had nadere uitleg gevraagd omtrent Reve's religieuze opvattingen, maar in zijn antwoord gaat Reve daar nauwelijks op in. Wel vraagt hij of de dominee wellicht voor Teigetje een luchtmachtuniform zou kunnen regelen, en dan heeft hij tenslotte nog dit verzoek: “Zou ik ook, tegen vergoeding van te maken kosten, iemand zijn huis gebombardeerd kunnen krijgen? Het is het huis van Theun de Vries, Egelantiersgracht 36, Amsterdam C. (Jordaan) Het is een bovenhuis, dus het is wel precisiewerk. Eronder woont Jan Willem Hofstra, en die kan dus in één moeite meegenomen worden.” Waarom is zoiets onweerstaanbaar geestig?

Sinds de Golfoorlog weten wij dat het mogelijk is om een zelfzoekende, smartbomb precies op een huis te gooien, maar geen mens zal echt willen dat morgen vanaf Gilze-Rijen een squadron F-16's opstijgt teneinde de woning van Theun de Vries plat te bombarderen. Technisch gezien hebben wij in dit opzicht geen problemen - ik vermoed zelfs dat bij de huidige stand van zaken het onderhuis van Jan Willem Hofstra gespaard kan blijven - maar vanuit een moreel oogpunt zijn er bedenkingen om die arme, inmiddels 85-jarige Theun de Vries van zijn huis te beroven. (Reve zegt er niet bij of hij eerst de bewoners wil waarschuwen, maar laten we aannemen dat de Nederlandse luchtmacht zo fatsoenlijk is om dat te doen.) Waarom wekt zo'n vraag dan toch de lachlust op?

Het komische heeft een kwaadaardige kant, dat spreekt vanzelf. Dan is er natuurlijk de stijl van het geschrevene, die onder meer tot uiting komt in de toevoeging: “Tegen vergoeding van gemaakte kosten”. Alsof je een bombardement kunt bestellen, zoals een wasmachine.

Maar er is ook nog iets anders, waardoor zo'n passage komisch wordt. Onwillekeurig denk je toch aan die predikant, die de brief openmaakt. Zenuwachtig scheurt hij de enveloppe open, in de hoop spoedig meer te weten over Reve's relatie tot het Goddelijk Mysterie, en dan leest hij het verzoek om het huis van een eerzaam burger te bombarderen. Het gezicht van die man, althans de fantasie die wij daarbij hebben, maakt dat wij als lezer zo moeten lachen.

Vermoedelijk berust het komische voor een belangrijk deel op dit principe. Ik ervaar dat bij voorbeeld bij een tv-serie als Wij zijn weer thuis van Wim T. Schippers. Die is niet altijd even leuk, maar als ik denk aan al die mensen die zich groen en geel ergeren aan de flauwiteiten van Schippers, dan moet ik weer ontzettend lachen - en dan is mijn dag weer goed.

Tenslotte komt er nog iets bij. Even verderop in de Brieven van een aardappeleter wordt verteld hoe lafhartig Theun de Vries zich heeft gedragen jegens de vader van Reve door valselijk te suggereren dat de oude Reve in de oorlog niet helemaal "goed' zou zijn geweest. De Volkskrant van gisteren drukte overigens nog een gedichtje af van Theun de Vries, geschreven bij de dood van Stalin: “Leiders gaan, het volk blijft eeuwig leven Maar in het hart der nieuwe orde staat Bij de onuitwisbare geschreven Stalin - leider, broeder, kameraad”.

Soms valt alles op zijn plaats, al blijft het precisiewerk.