De brievencollectie van het Letterkundig Museum; Nieuwe brieven zijn lastig

Het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag bewaart handschriften, brieven, dagboeken en voorwerpen die een toelichting geven op het gedrukte werk van schrijvers en schrijfsters. Sommige brieven zijn vrij beschikbaar, andere mogen nog tientallen jaren door niemand ingezien worden.

De grootste collectie ego-documenten uit de Nederlandse literatuur bevindt zich in het Letterkundig Museum in Den Haag. Hier, in de schaduw van de Koninklijke Bibliotheek, liggen naar schatting 1,2 miljoen brieven van en aan schrijvers. Daarnaast bezit het Museum enkele honderden dagboeken. Veertig procent van wat het museum bezit bestaat uit brieven en dagboeken.

Wie deze cijfers hoort, zou kunnen denken dat brieven in de Nederlandse literatuur een zeer grote rol spelen, een veel grotere rol dan dagboeken. Terwijl er bijna geen schrijver is van wie het museum niet een of ander briefje heeft, is slechts van één op de veertig schrijvers een dagboek bekend. Maar dat is misleidend. “Het is bijna nooit met zekerheid te zeggen dat iemand geen dagboek heeft bijgehouden,” zegt Sjoerd van Faassen, het hoofd van de Documentenafdeling. Brieven zijn er door hun aard voor bestemd om bekend te worden bij anderen, maar dagboeken worden vaak, voor anderen er in kunnen lezen, vernietigd of ze raken zoek. Van Faassen vertelt dat het museum nog zeer onlangs het dagboek van Constant van Wessem heeft aangekocht. Tot kort voor dat moment wist niemand dat een dergelijk dagboek bestond. De biograaf Jan van der Vegt was er tijdens zijn onderzoek toevallig op gestuit en heeft toen het museum aangeraden er snel een bod op te doen.

Een interessante vraag is natuurlijk of het schrijverschap iemand ook altijd voorbestemt om hele mooie brieven of dagboeken te schrijven. Zijn schrijversbrieven altijd beter gecomponeerd en gestileerd dan de brieven van anderen? Volgens Van Faassen die tijdens zijn werk voor het museum heel wat schrijversbrieven gelezen heeft, valt dit erg tegen. Hij verwijst naar de zojuist verschenen Brieven van Willem Elsschot die volgens de eerste recensies vaak nauwelijks de hand van een gerenommeerd schrijver verraden. “Je hebt natuurlijk de brieven van Gerard Reve, dat is een aparte categorie, en in zijn voetspoor bungelt dan nog een beetje Jeroen Brouwers, maar dan heb je het wel gehad.” Het aantal literair interessante briefwisselingen van schrijvers is volgens Van Faassen zelfs opvallend gering. “Je ziet meestal dat ze niet met een literaire intentie geschreven zijn.” Hij heeft ook niet de indruk dat er onder de zesduizend schrijvers van wie nu brieven in het museum zijn opgenomen veel zijn van wie de correspondentie een aparte uitgave verdient. Hij wordt in deze mening bijgevallen door directeur Anton Korteweg: “Wat er nu nog uitgegeven zou kunnen worden, heeft niet het niveau van de brieven van de Schoolmeester.”

Hetzelfde kan worden gezegd van de dagboeken in de collectie van het museum. Van Faassen: “Het dagboek van C.S. Adema van Scheltema is misschien nog wat, maar dat van J. Greshoff valt al erg tegen. Ik zal nooit bepleiten dat zoiets moet worden uitgegeven. Het zijn geen boeken die je graag in bed zou willen lezen.”

Automatisch

Van Faassen en Korteweg wijzen erop dat de belangrijkste reden waarom het Museum in 1954 werd opgericht literair-historisch was. Het museum bewaart voorwerpen en documenten die een toelichting geven op het gedrukte werk van Nederlandse schrijvers. Hoe moet je iemand situeren? Het is er om het literair erfgoed te archiveren. Wie aan een biografie van een schrijver werkt, kan vaak alleen maar aan de hand van brieven of dagboeken achterhalen wat hij op een bepaalde dag deed en dacht. Daarvoor kan hij altijd in het museum terecht. De collectie is sinds kort vrijwel geheel geautomatiseerd, waardoor iedere onderzoeker in een oogwenk kan zien welke brieven van en aan een bepaalde schrijver aanwezig zijn.

Dat betekent overigens niet dat iedere onderzoeker de aanwezige brieven en documenten ook meteen kan inzien. Het museum bezit enkele tienduizenden brieven en documenten die uit privacy- of andere overwegingen niet toegankelijk zijn. Anton Korteweg: “Van de week heb ik brieven van Reve cadeau gekregen die hij schreef in Huize Algra, in de periode rond 1960, toen hij de gedichten uit Nader tot u schreef. Maar ik kan daar niets mee doen.” De huisregels bepalen dat de collectie toegankelijk is, voorzover de rechthebbenden zich daar niet tegen verzetten.

Voor de populariteit van het museum heeft dat de nodige gevolgen. Korteweg is er van overtuigd dat zijn museum aanzienlijk drukker zou zijn als hij de 1100 briefkaarten en 45 brieven zou mogen uitstallen die Simon Carmiggelt aan Renate Rubinstein scheef. Maar dat is voorlopig uitgesloten. De erfgenamen van "de meest getrouwde man van Nederland' willen de brieven graag zo lang mogelijk achter slot en grendel houden en het museum legt zich daar bij neer. Hetzelfde geldt voor de liefdesbrieven die Martinus Nijhoff aan Emmy van Lockhorst schreef. Integrale publikatie daarvan zou op moeilijkheden stuiten. Korteweg: “Naarmate brieven nieuwer zijn, worden ze interessanter, maar ook lastiger.”

Tot vijftig jaar na de dood van een schrijver geeft het Museum zijn erfgenamen het recht te bepalen wie ongepubliceerde documenten uit zijn archief mag inzien. Genteresseerden moeten in deze gevallen een formulier invullen, dat naar de erven wordt doorgestuurd. Korteweg: “Daar zijn we netjes in, natuurlijk.” Zijn er geen beletselen van de kant van rechthebbenden, dan wordt gekeken of de aanvrager een serieus doel nastreeft. Scholieren die scripties willen schrijven worden geweerd, tenzij ze zeer vasthoudend zijn. En wie alleen maar voor de aardigheid wat handschriften van Couperus wil zien, wordt verwezen naar de tentoonstellingsruimte elders in het gebouw.

In een enkel geval bepaalt een schrijver zelf hoe lang zijn archief gesloten moet blijven. Zo heeft de in 1981 overleden F.C. Terborgh testamentair vastgelegd dat zijn archief niet mag worden geopend voor 2011. In dergelijke gevallen kijkt de directeur van het Museum even snel of de collectie inderdaad bevat wat hij moet bevatten, waarna hij er een lakzegel op bevestigt, alsmede een plakker waarop staat wanneer het pakket precies open mag.

Van Faassen: “Wij proberen mensen er natuurlijk toe te bewegen om beperkende voorwaarden zo veel mogelijk en zo snel mogelijk te laten vallen. Het gigantische archief van de in 1982 overleden Henriette de Beaufort mag bijvoorbeeld pas in 2050 open. Het is de vraag of iemand dan nog belangstelling voor haar heeft. Maar als de schenker niet voor onze argumenten gevoelig is, wordt dat geaccepteerd. Onze taak is om alles voor de eeuwigheid te bewaren.”