De belachelijkste gastvrouw van Engeland; Ottoline Morrell, omringd door schrijvers

Miranda Seymour: Ottoline Morrell, Life on the Grand Scale. Uitg. Hodder & Stoughton, 452 blz. Prijs ƒ 87,75

Iedereen die wel eens over Engelse schrijvers van de eerste helft van deze eeuw leest, kent de naam van Ottoline Morrell en heeft een voorstelling van wat voor mens zij was. Een geëxalteerde mevrouw die schrijvers interessant vond en rijp en groen aan huis ontving zonder te merken hoe zij bespot werd: dat is een vertrouwd beeld van haar, op gezag van een aantal van haar gasten. In de brieven en herinneringen van Bloomsbury staat zij vaak voor gek, bij Virginia Woolf, Lytton Strachey, Clive en Vanessa Bell, Roger Fry; anderen hebben haar doorzichtig vermomd in hun romans gezet, D.H. Lawrence en Aldous Huxley voorop.

In haar werkelijkheid ging het anders toe dan in de karikaturen, en veel van de schrijvers die haar belachelijk maakten kwamen even later weer op bezoek en zeiden wat een lieve en opmerkelijke vrouw zij was. Zij maakte de satiricus wakker in haar kennissen; dat kon zij in eerste instantie niet helpen, maar zij droeg eraan bij door zich te kleden in opvallende kleurige jurken naar eigen ontwerp, met verbazingwekkende hoeden. Miranda Seymour heeft geprobeerd haar recht te doen in een biografie die haar voorstelt als vriendin en weldoenster van velen, onversaagd tot in het herosche toe. Het is gelukt: de lezer ziet dat er meer stak in Ottoline Morrell dan in de meeste vrouwen om wie nooit iemand lacht. Wel moet bedacht worden dat de gekkigheid het bijzondere aan haar was, en de heroëk het algemeen-menselijke. De wereld wemelt van de mensen die bewonderenswaardig zijn in hun goede moed en hun incasseringsvermogen; de meesten vallen niemand op.

Ottoline was geboren in 1873 en heette toen Bentinck. Zij had dus iets Nederlands van haar vaders kant, en de ongewone voornaam kwam van de Nederlandse tak van de familie. Als meisje woonde zij met haar moeder op het kasteel, en na de dood van haar moeder ook nog een tijd lang totdat zij in 1902 trouwde met Philip Morrell (de naam moet zoals vaak in Engeland anders uitgesproken worden dan iedereen zou denken: niet Mor-rèl, maar Murrel, net als Durrell).

Het huwelijk is geen succes geweest, maar ook niet mislukt. Morrell maakte een bescheiden carrière als parlementslid, wist later niet goed raad met zichzelf en ook niet met de schrijvers en intellectuelen die op de donderdagen van zijn vrouw ontvangen werden, en vond enige troost in kleine liefdesavonturen. Ottoline had hem weinig te verwijten. Zij had een tweeling gebaard in 1905, waarvan het jongetje binnen een week stierf en het meisje leefde tot 1989. Daarna werd haar aandacht emotioneel, niet altijd seksueel, opgeëist door andere mannen.

In 1911 begon de grote relatie van haar leven, met Bertrand Russell, die toen nog getrouwd was met zijn eerste vrouw. Een jaar of vier lang namen zij elkaar volledig in beslag, hoewel zij nooit van nature harmoniseerden: hij gericht op logica en seksualiteit, zij op religie en grote gevoelens. Daarna schoven hun belangstellingen geleidelijk in andere richtingen, en soms even naar elkaar terug. Helemaal van elkaar af raakten zij nooit, tot Ottolines dood in 1938.

Conversatie

Haar religie - niet een leer, maar een overtuiging dat er meer moet bestaan dan wij zien - wekte samen met haar gevoel voor kunst en literatuur een hoge stemming die de spotlust opwekte van de preciserende schrijvers van Bloomsbury. Dat vele aanzienlijke en begaafde personen het de moeite waard vonden om op haar ontvangsten te komen betekent toch dat zij niet alleen in de ruimte praatte. Wat zij dan voor bijzonders zei kunnen wij niet meer achterhalen, dat is altijd het treurige voor reputaties die op conversatie berusten. Wel zijn er twee delen mémoires van haar uitgegeven, in 1963 en 1974, maar die lectuur is niet hetzelfde als iemand horen spreken; daarbij zijn zij terughoudend met informatie, en na haar dood door Philip besnoeid. Haar dagboeken, onuitgegeven, kunnen door biografen geraadpleegd worden maar zijn niet te vertrouwen: zij liet er dingen uit weg om Philip die ze mocht lezen onrust en ontsteltenis te besparen.

Hoewel er veel over haar leven verteld kan worden is er veel dat onopgehelderd blijft. Het geeft niet: wij hoeven niet alle details van een leven te kennen om er de eigenaardigheid van te onderscheiden, maar het valt bij haar meer op dan bij anderen omdat zij het ook steeds weer zo druk heeft met haar gasten. Honderden trekken aan onze ogen voorbij, en het lijkt wel of ieder van hen haar verbaasd en plezier gedaan en gekwetst heeft. Dit zijn niet gewone bezoekers die alleen eten, lachen en weggaan; er ontstaan telkens relaties, die dan weer aangehouden of verbroken moeten worden. Het is niet aldoor mogelijk om in dit geroes het eigen geluid te isoleren van het ene individu waar de biografie om draait.

Dertig jaar lang heeft Ottoline Morrell zo geleefd. Het begon in 1907, toen zij op Bedford Square woonde, achter het British Museum, in een huis dat zich leende voor drukbezochte donderdagen; enkele intieme vrienden aten mee, de rest kwam later. De formule werd anders in 1915 toen zij met Philip verhuisd was naar Garsington, een verwaarloosd landhuis bij Oxford dat zij opknapten. De oorlog was geen beletsel, ook niet voor het gezelligheidsleven: er bleven genoeg schrijvers over die de logeerkamers wilden benutten, academici en studenten kwamen langs uit Oxford en er stond een bijgebouw ter beschikking voor dienstweigeraars (met wie het pacifistische echtpaar het eens was) die op het bijbehorende land mochten werken.

De naam van het huis klinkt bijna even duidelijk na op de achtergrond van de Engelse literatuurgeschiedenis als die van de gastvrouw. Ook toen het huis in 1927 onbetaalbaar werd en de gezelligheid verplaatst moest worden naar Gower Street, een stuk bescheidener dan Bedford Square, bleven de gasten komen: Yeats en Eliot, Virginia Woolf en Ethel Smyth, Aldous Huxley en Siegfried Sassoon, H.G. Wells en Charles Morgan, David Cecil en Stephen Spender en William Plomer, en andere jongeren, sommige zo pril dat zij nog nauwelijks iets durfden te zeggen.

Ongeloofwaardig

In 1937 liep het af. Ottoline had sinds haar jeugd aan kwalen en pijnen geleden; dat zij onvermoeibaar bleef lezen, uitnodigen, praten en reizen is een van de redenen om haar herosch te noemen. Nu kon zij er niet meer tegen. Zij onderging een paar kuren in een kliniek van een ongeloofwaardige arts die zij vertrouwde. Hij kon haar niet redden; een ander had het misschien evenmin gekund. In 1938 stierf zij.

Of dit nu werkelijk een leven "on the grand scale' verdient te heten blijft nog ter overweging. Is het genoeg als een vrouw zich een leven lang blootstelt aan openbare spotlust en roddel zonder uit haar doen te raken; of vergt de grote schaal dat zij zich opoffert voor een zaak die zij hoger schat dan haar welzijn? Aan de eerste voorwaarde voldeed Ottoline Morrell; op het tweede punt liet zij te wensen over, al was zij hulpvaardig en hebben verschillende schrijvers getuigd dat zij verblijdend begrip toonde voor hun werk.

De vraag hoeveel bewondering de grote gastvrouw toekomt is er een die de lezer kan vergezellen door het boek heen. Een vraag van even groot belang die zich telkens opdringt is: gedraagt de hele mensheid zich zo wispelturig en onbetrouwbaar in vriendschappen en waarderingen als de schrijvers van Engeland tussen de oorlogen? Zij slaan zo vaak om dat de waakzame biografe soms een fase over het hoofd lijkt te zien waar een citaat toevallig blijk van geeft.

Waarschijnlijk leven de meeste mensen zo, maar het valt minder op als zij zich minder laten voorstaan op hun nietsontziende eerlijkheid en niet al hun veranderingen van gevoel op papier zetten. Ik kan mij niet herinneren de wispelturigheid ooit zo expressief aan de macht gezien te hebben. Soms stemt het mismoedig, maar even later schijnt de zon weer, en sommige van de bijfiguren, zoals Russell en Virginia Woolf, dragen met hun grillen bijna evenveel bij aan deze biografie als de hoofdpersoon zelf.