De Akropolis van Amsterdam; Sven-Ingvar Andersson en het Museumplein

Is het geen blijk van nationale creatieve armoede als het meest historische plein van Nederland door een buitenlander moet worden ontworpen? Een aantal elementen van het eenvoudige, gevoelige ontwerp voor een autoloos Museumplein in Amsterdam van de Zweedse tuinprofessor Sven-Ingvar Andersson is bepaald niet nieuw. Zijn culturele plein zweeft tussen Het laantje bij Middelharnis (1689) van Hobbema en de Piazza del Duomo in Pisa.

Omdat Sven-Ingvar Andersson uit de lucht kwam vallen, kon niemand bij voorbaat bezwaar tegen hem maken. Alleen een handjevol ingewijden kende het werk van de in 1927 geboren Scandinavische tuin- en landschapsarchitect. Zijn ontwerpen werden door hen gekenschetst als stil, waardig en helder poëtisch, het stadspark in het Zweedse plaatsje Ronneby, de Karlsplatz in Wenen, het plateau en de daktuin van Spreckelsens reusachtige Grande Arche in de Parijse buitenwijk La Défense. Volgens de paar kenners was "de dichter van de tuinkunst', in tegenstelling tot de meeste architecten, een uitgesproken luisteraar en een bescheiden persoonlijkheid die de harmonie verkoos boven het conflict. De enige tegenwerping die kon worden gehoord, toen bekend werd dat Andersson het Museumplein in Amsterdam zou gaan vormgeven, was dat de deus ex machina niet uit Nederland kwam. Is het geen blijk van nationale creatieve armoede als zelfs het meest historische plein van Nederland - Herman Gorter speelde er nog cricket - door een buitenlander moet worden ontworpen? - vroeg men zich hier en daar af. In hun parmantig antwoord draaiden stadsbestuurders en adviescommissieleden de boel om: elke Nederlandse ontwerper, beroeps of amateur, heeft zich in het verleden weleens over het Museumplein ontfermd en een binnenlandse architectenkeuze zou, volgens hen, daardoor tot een eindeloze discussie leiden met als gevolg dat de creatie van een nieuw samenhangend plan voor het plein voor de zoveelste keer op de lange baan terecht zou komen. In Nederland hebben we ons op het Museumplein blind gestaard, zo kon men uit dit verweer opmaken.

Het is waar dat er geen plein in Nederland bestaat waarvoor zoveel ontwerpen zijn gemaakt als voor het Museumplein. Geen denkbare gedaante is in de meer dan honderdjarige geschiedenis van het plein ongetekend gebleven. Paleizen, kathedralen, theaters, musea, villa's, wolkenkrabbers, maar ook bergen, bossen, velden, renbanen en binnenzeeën hebben op papier de onbestemde lange, driehoekige ruimte tussen Rijksmuseum en Concertgebouw gevuld. De bouwkunde-opleidingen in ons land kennen geen afstudeerproject dat zo geliefd is als het Museumplein. We hebben ons niet alleen op het plein blind gestaard, we hebben ook alle oplossingen beproefd die mogelijk en onmogelijk zijn. Voor het Museumplein viel niets nieuws meer te bedenken. Ook dat kan een overweging zijn geweest om voor de finale een buitenlandse ontwerper te kiezen. Een buitenlander is onschuldig. Hij kan met een gerust geweten een voorstel doen dat grotendeels niet nieuw is, een plan met elementen die in talloze, eerder door anderen getekende ontwerpen zijn terug te vinden.

Sven-Ingvar Andersson is een kleine broze man met het voorkomen en de motoriek van een kloosterling. Al dertig jaar lang is hij hoogleraar in de landschapsarchitectuur aan de Koninklijke Deense Academie voor Schone Kunsten in Kopenhagen waar hij wordt geroemd om zijn inspirerend vermogen. Zijn plan voor het Museumplein - de Rotterdamse stedebouwkundige Stephan Gall was er nauw bij betrokken - werd vorige week gepresenteerd in een voormalig tot stadsdeelkantoor omgevormd Amsterdams ziekenhuis. De teksten die het ontwerp op grote borden vergezellen, zijn gesteld in een bijna bijbelse toonzetting: “De hemel. Amsterdam is een stad van cultuur, vreugde en intimiteit, maar in zijn smalle straten is er een grote afstand tot de hemel. Hier, op het Museumplein is de hemel vlak boven je hoofd, open, met wolken die naar de hemel stijgen. Tastbaar en verdwijnen...” En: “De vlakte. Iemand rust uit op het gras - 20 kinderen rennen rond de bomen - 200 jongeren genieten van de zon - 2000 mensen luisteren naar een concert - 200.000 demonstreren voor vrede. Het Museumplein is open voor iedereen, altijd.”

Aardse stad

Een aantal elementen van dit eenvoudige, gevoelige ontwerp voor een autoloos wandelparadijs in de aardse stad, is bepaald niet nieuw. Dan heb ik het niet over de ondergrondse parkeergarages, de uitbreidingen van het Stedelijk en Van Goghmuseum en de verdwenen, kortste snelweg van Nederland, want die waren al voorgesteld in de Nota van uitgangspunten van de stadsdeelraad. Het gaat om nadrukkelijke vormelementen die ik eerder in andere ontwerpen had gezien, de ovale vijver in de as van het Rijksmuseum, de lange lichtlijn die van het Concertgebouw naar het Rijksmuseum tussen twee fonteinen is getrokken, de immense grasvlakte, de strakke dubbele bomenrijen. Allemaal bekend. Maar zo'n zuivere synthese van dit alles zie ik voor het eerst.

Zou Andersson met dit ontwerp de ideeënprijsvraag hebben gewonnen die vijf jaar geleden op deze pagina van het Cultureel Supplement voor het Museumplein werd uitgeschreven? - vraag ik me onwillekeurig af. Zijn plan zou door de competente jury zeker zijn toegelaten tot de voorste gelederen van de tweehonderd inzendingen die we toen mochten ontvangen. Maar hoe zijn ontwerp uit een relatieve eindbeoordeling tevoorschijn zou zijn gekomen, is achteraf niet goed te voorspellen. Als ik me de jury-afwegingen van destijds voor de geest haal, dan zou de onder een schuinoplopend grasdak weggestopte uitbreiding van het Stedelijk Museum als teveel jaren-zestig architectuur zijn afgedaan. Er zou lang zijn gedelibereerd over het afsluiten voor fietsers van de onderdoorgang van het Rijksmuseum, maar de ingreep zou uiteindelijk zijn geaccepteerd omdat hij van groot belang is voor de herwaardering die het Rijksmuseum in dit plan ten deel valt. Waarschijnlijk zou er ook lang en kritisch zijn gesproken over hoe het plein van Andersson en Gall zich in de duistere nacht zou gedragen. De lange lichtlijn die de grens van de ondergrondse garage markeert en de cirkel met lichtmasten in de bloementuin voor het Amerikaanse consulaat zijn lang niet voldoende om het plein ervan te weerhouden in het donker een luguber karakter aan te nemen.

Van mezelf weet ik zeker dat ik vijf jaar geleden de esthetische zuiverheid van de synthese die dit ontwerp zo klassiek evenwichtig maakt, niet zo duidelijk zou hebben herkend. De impressie van braafheid had mijn oordeel vermoedelijk overheerst. Maar het is vijf jaar verder en ik heb de nieuwe voorbeeldige stedebouw in Barcelona gezien, de eenvoudige inrichting van parken en pleintjes die door de architectuurhistoricus Ed Taverne zo diepzinnig als de "fragiele constructie van het heden' is gedoopt. En ik heb eindelijk het beroemde werk "De Stedebouw' (1899) van Camillo Sitte gelezen, dankzij de heldere vertaling (Uitgeverij 010, 1991) van die andere architectuurhistoricus, Auke van der Woud. Gelukkig heeft Van der Woud in een aanhangsel het uit 1900 daterende artikel "Het groen in de grote stad' van Sitte opgenomen, dat voor een groot deel lijkt te handelen over de poetische stedebouw zoals die door Andersson wordt beoefend. “Het is immers een bekend feit dat de fantasie geen grove massa-effecten nodig heeft - alleen prikkels, aanknopingspunten.”

Aide-mémoires

De Scandinavische tuinprofessor deelt in zijn ontwerp voor het Museumplein ook een soort aide-mémoires uit. Zijn culturele plein zweeft tussen Het laantje bij Middelharnis (1689) van Hobbema en de Piazza del Duomo in Pisa. In het schilderij van Hobbema herkent Andersson zijn lanen met linden en platanen. De dominante positie op het plein van het Rijksmuseum - van de ontwerper moet het museum terecht zijn oorspronkelijk open binnenhoven terugkrijgen - vertoont gelijkenis met de wijze waarop de Domkerk in Pisa op het begroeide Piazza torent. Voor Sitte is het unieke plein in Pisa een stedebouwkundig kunstwerk van de hoogste orde, een Akropolis: “Hier is alles bijeengebracht wat de burgers van de stad aan grootschalige en rijke monumentale kunst tot stand konden brengen: de schitterende kathedraal, de campanile, het baptisterium, de onvergelijkelijke Campo Santo. Al het profane, alledaagse is daarentegen buitengesloten. De uitwerking van deze van de wereld afgezonderde plek, die toch zo uiterst rijk is aan de edelste werken der menselijke geest, is daarom overweldigend. Zelfs iemand met een maar half ontwikkeld gevoel voor kunst zal zich nauwelijks aan de dwingende kracht van deze machtige indruk kunnen onttrekken. Er is daar niets dat onze gedachten verstrooit, niets dat ons aan gewone dagelijkse dingen herinnert. (...) er heerst rust, en door de harmonie van de impressies is ons gemoed in staat van de hier opgetaste kunstwerken te genieten en ze te begrijpen.”

We leven in een andere tijd en Andersson zal het zelf nooit zo kras zeggen, maar woorden als "de overweldigende uitwerking van deze van de wereld afgezonderde plek', moeten hem aanspreken. Goede tuinarchitectuur meet hij af aan de meditatieve kracht en daarvoor moeten op de Akropolis van Amsterdam offers worden gebracht. In zijn "introductie van het Museumplein concept' schrijft hij: “Mijn eerste streven is het in stand houden en versterken van het gevoel van vrijheid en open ruimte.

Niet bekend

Levensgevaarlijke straat

Het meest ingrijpende van alle veranderingen op de Akropolis van Amsterdam - de rafelige grondvorm van het Museumplein lijkt sprekend op die van de Akropolis van Athene in de tijd van Perikles - is de verwijdering van de Museumstraat. De voor zijn geringe lengte bespottelijk brede autosnelweg werd in 1952 aangelegd volgens een plan (1947) van Cornelis van Eesteren, die toentertijd verbonden was aan de gemeentelijke Dienst Stadsontwikkeling. Veertig jaar lang heeft deze levensgevaarlijke straat die nergens vandaan komt en nergens naartoe gaat, gefungeerd als het symbool van de moderne functionele stad. In het eerste boek dat na de oorlog zeer kritisch reageerde op de modernistische stedebouw, L'architettura della città (1966) van Aldo Rossi, wordt de stad, net als vroeger, als kunstwerk beschouwd en zette de schrijver zich af tegen het "naëve functionalisme dat de werkelijkheid simplificeert en de fantasie en de vrijheid vernedert'. Bij dit citaat past de Museumstraat. Van der Woud heeft bij Sitte's vertaling een nawoord geschreven, "De kunst van het stedebouwen' waarin hij de omslag van de functionele stad naar de culturele stad beschrijft. Dankzij een gezamenlijk optreden van overheid, bouwbedrijf en architectenbureaus "waarvoor de bouwkunst handelswaar betekende', slaagde het vooroorlogs modernisme er na de oorlog in om de traditie te breken. Van der Woud: “In deze bijzondere situatie bleken de vorm- en produktieconcepten die de moderne beweging twintig, dertig jaar geleden had geformuleerd, opeens een grote overtuigingskracht te hebben. De tekentafelmensen konden met hun sjablones aan de slag, voortgedreven door een soortgelijke politieke druk en economische pressie die hun negentiende-eeuwse voorgangers in hun urbanisatiegebieden hadden gevoeld. Dat dit alles weinig meer met artistieke of zelfs maar esthetische grondbeginselen te maken had, was nu echter volkomen te verdedigen - men hoefde er alleen maar op te wijzen dat de aanpak "modern' was.”

Uitgerekend op het meest historisch plein van Nederland zal de modernistische functionele stad plaats maken voor de culturele stad waar weer ruimte is voor sentimentele elementen als decoratief groen en decoratief water. Natuurlijk heb ik de stemmen al gehoord die ervan walgen.