Bruiloft "om der strontwille'

TILBURG, 4 MAART. Boeren trouwden altijd al bij voorkeur met een vrouw die zelf een agrarische achtergrond heeft; die kent het klappen van de zweep immers van huis uit beter dan een burgerjuffer. Sinds in 1987 in de mestwetgeving het begrip mestquotum is opgenomen - dat wil zeggen de beperking van de hoeveelheid mest die per bedrijf mag worden geproduceerd - zijn er nu ook boeren die "om der strontwille' een vrouw trouwen die hem aan een extra mestquotum kan helpen. Het zou in Nederland om tot nog toe ongeveer 200 gevallen gaan.

Het foefje werd woensdag door de mr. L. Mertens, hoofd van de dienst juridische zaken van de Noordbrabantse christelijke boerenbond (NCB), in het actualiteitenprogramma van de Vara nader toegelicht. De verslaggever confronteerde Mertens met een advertentie in het Agrarisch Dagblad waarin wordt gewezen op het verhandelbaar maken van mestquota via het huwelijksvermogensrecht. En sindsdien is het juist alsof niet de liefde maar de mest de drijfveer is voor menig agrarisch huwelijk. Maar, zo haast Mertens zich te verklaren, “het toekomstige echtpaar is al verliefd, alleen maakt het gebruik van de mogelijkheden in de wet.” Met die wet is bedoeld het zogenoemde verplaatsingsbesluit van 25 maart 1987. Daarin wordt het verplaatsen van mestquota verboden met uitzondering van quota die vrijkomen door onteigening, echtscheiding, boedelscheiding, erfenis of door huwelijk.

Voordat het huwelijk wordt gesloten, koopt of pacht de toekomstige bruid een boerenbedrijf dat ze een jaar lang zelfstandig heet te runnen om vervolgens in het huwelijk te treden, waarna het quotum overgaat in handen van de bruidegom. Het op deze wijze bemachtigen van een mestquotum is overigens een vrij kostbare zaak, die tussen de 50.000 en 100.000 gulden kan vergen. Dat er een wachttijd moet zijn van een jaar staat nergens geschreven, maar die termijn wordt volgens Mertens door de wetgever gehanteerd omdat hij denkt dat er dan geen sprake meer is van frauduleuze motieven. Dit alles onder voorwaarde dat het huwelijk "in gemeenschap van goederen' wordt gesloten, wat in het bedrijfsleven overigens niet erg populair is, omdat daardoor bij eventuele scheiding complicaties kunnen ontstaan.

Op basis van het door huwelijk verkregen mestquotum kan de boer dan zijn eigen bedrijf uitbreiden waarvoor hij dan overigens wél het geld en de hinderwetvergunningen moet zien te krijgen, wat gezien de scherpe milieuwetgeving tegenwoordig niet zo gemakkelijk is. Volgens Mertens komt het in Noord-Brabant één keer per maand voor dat een dergelijk huwelijk wordt afgesloten. “Vergelijk het met huwelijken die gesloten worden om eerder uit miliatire dienst te kunnen of met huwelijken die voor het einde van het jaar worden gesloten terwille van het belastingvoordeel.” Vermoedelijk wordt eind dit jaar of begin volgend jaar de mestwetgeving versoepeld en zal het verplaatsen en verhandelen van mestquota dan gemakkelijker worden. "Mesthuwelijken' zullen dan vermoedelijk tot het verleden behoren.