Al wat leeft spat uiteen; Het oorlogsdagboek van Isaak Babel als literatuur

Isaak Babel: Dagboek 1920. Vertaling en voorwoord door Peter Zeeman. Uitg. Meulenhoff, 155 blz. Prijs ƒ 29,50

Nadat Isaak Babel de Hogere Handelsschool in Odessa en de Handelshogeschool in Kiev had doorlopen, vertrok hij naar Sint-Petersburg om te proberen zijn literaire werk gedrukt te krijgen. Overal kreeg hij nul op het rekest, tot Maxim Gorki hem in 1916 hielp bij de publikatie van drie verhalen. De daarop volgende schrijfsels waarmee Babel bijna dagelijks kwam aandragen, werden echter steevast door de meester afgekeurd. “Ten slotte hadden we er allebei genoeg van,” schreef Babel later. “En hij zei tegen me met zijn doffe basstem: "Het is nu wel duidelijk, mijnheer, dat u nergens iets van begrijpt maar wel van veel een vermoeden heeft. Begeeft u zich derhalve onder de mensen...' ” Het was 1917, Babel was drieëntwintig jaar oud en begaf zich onder de mensen.

Tot 1924 had hij verschillende baantjes, waarvan het meest spectaculaire wel was dat van vrijwillig oorlogscorrespondent tijdens de veldtocht van het Rode Leger tegen Polen. Onder de naam Kirill Ljoetov, die zijn joodse afkomst moest verbergen, nam hij deel aan de gevechtshandelingen van het Eerste Cavalerieleger, grotendeels bestaande uit kozakken, in de Oekraïne, Wolhynië, Galicië en Polen. Zijn oorlogservaringen verwerkte hij tot een cyclus verhalen die in 1926 voor het eerst in boekvorm verschenen als Rode Ruiterij. Dit boek maakte hem op slag beroemd, maar bezorgde hem ook veel kritiek daar het de Roden niet als verheven strijders afschilderde maar als bloeddorstige machtswellustelingen, in wreedheid niet onderdoend voor hun tegenstanders. Sovjetrecensenten probeerden de verhalen gewoonlijk af te doen als voortbrengselen van een morbide fantasie. Hoe misplaatst deze aantijging was, blijkt uit het dagboek dat Babel tijdens de hele veldtocht bijhield en dat als basis voor Rode Ruiterij heeft gediend. In dit dagboek - niet voor publikatie bestemd en pas gedeeltelijk boven water gekomen nadat de schrijver ervan in 1940 was terechtgesteld op beschuldiging van spionage en trotskisme - beschrijft Babel naast de smadelijke nederlaag van het Rode leger ook de plunderingen, pogroms, verkrachtingen en andere wreedheden van de Roden tegenover de hoofdzakelijk joodse bevolking van Galicië. Het is dan ook heel begrijpelijk dat het Sovjetregime het steeds angstvallig achter heeft gehouden. Pas in 1989 verscheen het sterk gecensureerd onder de nog naar propaganda riekende titel Ik haat de oorlog, onverkort staat het in de tweedelige uitgave van Babels werk die in 1990 in Moskou uitkwam.

Antisemitisme

Dagboek 1920 heeft verschillende kanten. Als historisch document laat het zien hoe het aanvankelijk territoriale conflict tussen Sovjet-Rusland en Polen is uitgegroeid tot een ideologische strijd waarin de Sovjets de verspreiding van de revolutie voor ogen hebben. Het laat zien hoe de oorspronkelijke revolutionaire ideeën in de praktijk verwerden tot een vrijbrief voor wreedheid tegenover met name de joodse burger, want antisemitisme in Rusland is niet van vandaag of gisteren.

Ook al geeft Babel deze boodschap buitengewoon aanschouwelijk weer, voor ons is ze niet meer zo schokkend als ze in die tijd en nog lang daarna voor Russen geweest moet zijn. Interessanter voor ons is Babels eigen verhouding met de hem omringende werkelijkheid. Zijn jood-zijn hield hij verborgen maar het droeg natuurlijk wel bij tot het gevoel een buitenbeentje te zijn, dat hem als gevoelig intellectueel temidden van het ruwe kozakkenvolkje beheerste. Zijn weinig imponerende fysieke verschijning kon dat niet goedmaken en zijn bril was het doelwit van spot en beledigingen, het zinnebeeld bijna van zijn isolement (zoals ook bij de ik-figuur van Rode Ruiterij, Ljoetov, het geval was). Voor zo'n figuur gaf de werkelijkheid van de revolutie steeds minder aanleiding tot optimisme en steeds meer tot scepsis. Plichtmatig maakte Babel propaganda bij de mensen bij wie hij werd ingekwartierd, maar dat elke overtuiging ontbrak, daarvan getuigen opmerkingen als: “Ik kom op de proppen met mijn fabeltjes over het bolsjewisme, de opbloei, de sneltreinen, het Moskouse manufactuursysteem, de gratis voedselvoorziening...” Zijn besef van de verwoestende kracht van de revolutie werd steeds dwingerder: “Waarom blijf ik toch steeds zo neerslachtig? Omdat ik ver van huis ben, omdat we alles verwoesten, rondgaan als een wervelstorm, als een lavastroom, door iedereen gehaat, al wat leeft spat uiteen, ik ben bij een enorme dodenmis waaraan geen eind komt.”

Aangedaan door al het lijden om zich heen vond hij troost in de natuur en in het contact met andere joden. Wat niet betekent dat de beschrijving van de oorlogsverschrikkingen wordt afgewisseld door uitvoerige lyrische passages; nee, Babel schrijft zeker waar het hemzelf betreft uiterst laconiek en het enige dat hij zich veroorlooft is bij voorbeeld “ik praat graag met de onzen - die begrijpen mij”, “ik ben gelukkig”, “ik ben ontroerd.”

En daarmee kom ik op de derde manier waarop Dagboek 1920 gelezen kan worden: als literair werk op zichzelf en als voorbereiding op een groots ander literair werk, Rode Ruiterij. Het dagboek is niet bedoeld als literair werk en mist daarom de strakke structuur die Babels andere werk vertoont. Het heeft niet de "beknopte precisie van een oorlogsmelding of bankchèque' die proza volgens de schrijver zelf behoort te hebben. Het is één overrompelende opeenhoping van indrukken zonder dat er sprake is van een bepaalde spanningslijn, uitwerking van karakters of andere verschijnselen die zich in literatuur gewoonlijk voordoen. Maar in al zijn onbewerktheid maakt het diepe indruk en dat niet alleen wegens de aard van het beschrevene; wat mij betreft raakt het ook de esthetische snaar. Sommige kenmerken waar Babel later zo beroemd om werd zijn hier al in aanzet aanwezig: ritmisch taalgebruik, treffende beeldspraak, en vooral het vermogen om het verhevene zonder enige overgang naast het platte en smerige te plaatsen. In Viktor Sjklovski's woorden: “Hij spreekt op dezelfde toon over de sterren als over een druiper.”

Het dagboek herinnert voortdurend aan het feit dat Babel zijn dagboek niet in de laatste plaats bijhield om er later uit te putten voor zijn Rode Ruiterij. De aansporingen aan zichzelf zijn talloos: “Onze soldaten beschrijven”, “de gewonde beschrijven”, “zijn blote voeten onthouden - om je dood te lachen”, “dit troebele leven beschrijven”, “beschrijven: het onuitsprekelijke verlangen om te gaan slapen.” Bovendien komen er steeds elementen van situaties of fragmenten van personages in voor die in hun bewerkte vorm al bekend zijn uit de Ruiterij-verhalen, zoals de oude jood Gedali die verlangt naar "een Internationale van goede mensen' of Sasjka die, terwijl haar man aan zijn verwondingen ligt te sterven, met een ander het struikgewas in duikt. Dat Babel feit en fictie in Rode Ruiterij zo hecht aaneensmeedde, geeft niet alleen aan dat werk een extra dimensie maar ook, met terugwerkende kracht, aan Dagboek 1920.