Vriendelijke conversatie in de Domstad

Tweehonderd jaar geleden werd in Utrecht door de professores medicinae Matthias van Geuns en zijn zoon Steven Jan van Geuns een Medicinaal Gezelschap opgericht. Het bestaat nóg.

"Eene vriendelijke onderlinge conversatie' zou het oogmerk van het op 26 februari 1793 opgerichte Medicinaal Gezelschap zijn. Om de veertien dagen wilde men elkaar spreken over "het nieuwe en belangrijke dat in het ruim bestek der Geneeskunde en de Praktijk deszelfs voorkomt'. Nu was de oprichting van zo'n wetenschappelijk gezelschap in die tijd nauwelijks iets bijzonders. De 18de eeuw is wel met "eeuw der gezelschappen' aangeduid. In tegenstelling tot de meeste andere genootschappen uit die periode komt dit Utrechtse gezelschap - op een onderbreking van drie jaren in de laatste oorlog na - al 200 jaar enthousiast bijeen.

Dit gezelschap, dat tijdens het diner ter viering van zijn 100-jarige bestaan tot Utrechtsch Gezelschap "Matthias van Geuns' werd omgedoopt, komt op buitenstaanders bijna als een geheim genootschap over. Ten eerste wegens zijn exclusiviteit: het aantal leden is beperkt, zij moeten klinisch betrokken artsen zijn en nieuwe leden worden pas verkozen als er geen enkele tegenstemmer is. Het gezelschap functioneert slechts binnenshuis en treedt niet naar buiten. Comptes rendus of verslagen publiceert men niet. De notulen der vergadering plus de autoreferaten worden veilig weggesloten in het Archief. Wel vindt men van tal van illustere leden van "Matthias van Geuns' de namen als Utrechtse straatnaam terug: Bleuland, Eijkman, Numan, Rümke, Schroeder van der Kolk, Snellen Suerman, Weve, Winkler.

Tyfus

""Wie later de pen ter hand zal nemen, om, naar de notulen onzer vergaderingen de geschiedenis te schrijven van [het Gezelschap] zal daarin de weerspiegeling geven van de verrassende vlucht der geneeskundige wetenschap, ook de weerspiegeling van den cirkelgang, laat het zijn den tragen spiraalgang der menschheid.'' Deze woorden, door de voorzitter gesproken tijdens het 125-jarige herdenkingsfeest, blijken volkomen juist geweest te zijn. Ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van "Matthias van Geuns', werden namelijk alle notulen en referaten uitgebreid bewerkt. En inderdaad: die soms verrassend snelle vlucht der wetenschap vindt men er gereflecteerd, maar ook herinneringen aan geneeskundige problemen die thans grotendeels verdwenen of vergeten zijn. Wellicht herinneren wij ons nog dat ons land in de vorige eeuw door pokken en cholera geteisterd werd, maar wie zal thans nog aan fatale gevallen van febris continua remittens ofwel tyfus denken? Toch was dit de "doktersziekte' bij uitnemendheid. Heel sterk kwam dit in de notulen naar voren: van de eerste acht leden zijn er vier aan tyfus overleden. Het lid professor Suerman verloor - binnen een jaar tijds - zijn zoon, zijn dochter en zijn vrouw.

Dat de voortschrijdende wetenschap merkwaardigerwijs niet altijd werd aanvaard, bleek uit de discussies rond de beri-beri; eind 19de eeuw in de Oost nog een immens probleem. Niet zelden was in Atjeh de helft der troepen door deze ziekte aangetast. In 1886 stelde de Minister van Koloniën een onderzoekscommissie in, bestaande uit de Utrechtse professor Cornelis Pekelharing, de zenuwarts Cornelis Winkler en Christiaan Eijkman, een militaire arts. Na hun terugkomst in 1887 berichtten Pekelharing en Winkler dat de verlamming bij de ziekte op een ontsteking der zenuwen berust. Bovendien hadden zij bacteriën ontdekt die voor de verwekkers werden aangezien. In Indië ging Eijkman echter voort met de onderzoekingen naar het wezen der beri-beri en merkte daarbij op dat hoenderen overeenkomstige symptomen konden krijgen. Was er een toxine in het spel? Deze bevinding van Eijkman werd in 1890 gepubliceerd. In 1897 toonde de burgergeneesheer Vorderman een relatie tussen voeding met geslepen, witte rijst en beri-beri aan. In 1900 had dr. Grijns, een andere militaire arts, Eijkmans proeven voortgezet waarbij hij tot de conclusie kwam dat de afwezigheid van zilvervliesjes van de rijst zowel bij hoenders als bij mensen beri-beri deed ontstaan. Er moest volgens hem een "tekort aan protectieve stoffen' ofwel een "partiële honger' zijn. In 1911 tenslotte slaagde Funk erin uit rijstzemelen die "protectieve stof' te isoleren en verscheen de naam "vitamine' in het medisch jargon.

Nu waren zowel Pekelharing als Winkler, Eijkman en Grijns leden van "Matthias van Geuns'. Beri-beri en vitaminegebrek kwamen dan ook herhaaldelijk ter sprake. Maar niet iedereen aanvaardde de nieuwe inzichten. Zo werd in 1918 een voordracht gehouden die de provocerende titel "Zijn er vitaminen?' droeg. In 1921 stond in de notulen vermeld dat Winkler - intussen hoogleraar in de neurologie - ""niet gelooft dat beri-beri op een vitaminetekort berust''.

Binnenshuis

Wat is nu het nut van zo'n illuster, maar verscholen gezelschap? Het verbergt zich immers binnenshuis. Zoals bij alle andere wetenschappelijke verenigingen zal het in de eerste plaats om de uitwisseling van informatie gaan: besprekingen van nieuwe vondsten en problemen; vroeger ook van epidemieën in de stad. Daarnaast spelen informele contacten in de "wandelgangen' en tijdens lunches en diners een niet te onderschatten rol.

"Matthias van Geuns' werkte soms als pressure group. Dat werd duidelijk in de jaren zestig toen vrijwel de hele medische faculteit ineens aandrong op méér elektronenmicroscopisch onderzoek in het Utrechtse Academisch Ziekenhuis. Kort tevoren hadden de leden van "Matthias van Geuns' een voordracht daarover aangehoord.

Ook kan zo'n kring als amicale "toetssteen' functioneren. Zo wilde de gynaecoloog professor Plate het gezelschap eens laten horen wat hij voor de televisie over anticonceptie zou gaan zeggen. Heel wat voordrachten werden na verwerking der kritiek alsnog gepubliceerd.

Het gezelschap biedt ook wetenschappelijke verrijking; een privé-bijscholing zo men wil. Bij het aannemen van nieuwe leden zoekt men zo mogelijk naar representanten van de verschillende medische disciplines. Van elk lid wordt verwacht actief aan de discussie mee te doen. Dat wil zeggen dat hij of zij - er zijn thans twee damesleden - zich op de komende voordracht voorbereidt.

Toen in 1964 de neuroloog het probleem "ritmische verschijnselen' ter tafel bracht, vroeg de verloskundige tijdens de discussie aandacht voor de cycli bij de vrouw. De psychiater memoreerde een zekere "brainwashing' en "ontmenselijking' door de paradepas; de kinderarts sprak over de eigen ritmiek van het pasgeboren kind en de patholoog-anatoom over de ritmische beelden die hij ontdekte in de vezels van het hart. De internist wees op de dagelijkse schommelingen in de uitscheiding door de nieren en de chirurg - prof. Nuboer, een jager van formaat - attendeerde op de bronst die volgens hem het gevolg van natuurlijke ritmen was. Een ritme evenwel van buitenaf.

Ook andere gezelschappen kunnen vermoedelijk nog leren van "Matthias van Geuns'. Zo bestaat er een verschijningsplicht. Het lid dat bij "Matthias van Geuns' wegblijft zonder grondige reden, wordt beboet. Van twee zesthalven in 1793 werd die boete - gelijke pas houdend met de inflatie - onlangs tot 10 gulden opgehoogd.

De belangrijkste reden dat Ne^erlands oudste, besloten medische gezelschap het twee eeuwen volgehouden heeft, is echter zonder twijfel de onderlinge vriendschapsband geweest. Bij het 200-jarige bestaan koos de vereniging de leus: de geneeskunde verenigt ons als vrienden, ars medicinae nos iungit amicos.

Binnenkort verschijnt van dr. G.T. Haneveld het boek Verscholen Luister - 200 jaar Utrecht en het Medicinaal Gezelschap "Matthias van Geuns'

Ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van "Matthias van Geuns' is in het Utrechts Academisch Ziekenhuis tot eind april een kleine expositie te bezichtigen: 200 jaar Geneeskunde in Utrecht, weerspiegeld in het gezelschap "Matthias van Geuns'.