Valse lof

In de speelzaal waar mijn jongste zoontje elke morgen heengaat, hangt een affiche "101 ways to praise your child' en dan worden ze allemaal opgesomd. Het peuterschooltje is een leuke tijdpassering, de juffrouw is een schat en uitstekend in haar vak, en toch ergert mij dit affiche. Elke keer weer als ik ervoor sta en de adviezen in me op probeer te nemen (“wow, bear hug, high five, cheering, terrific job”) word ik chagrijnig.

De eindeloze opsomming straalt een akelig soort platheid uit, de eendimensionaliteit van 100 recepten voor andijviestamppot. Zou er een affiche aan de muur gehangen hebben met louter de tekst "Praise your child', dan zou ik de boodschap welwillend op me laten inwerken. Het is de nietszeggende gedetailleerdheid die me tegenstaat, en het hoogmoedige idee dat alles in orde komt, wanneer de finesses maar in kaart gebracht zijn.

Dit affiche vormt een neerslag van de self-esteembeweging die het hele schoolsysteem (en trouwens ook opvoedingstheorieën in het algemeen) tot in de diepste vezels doordrongen heeft. Nu is het lastig om tegen zelfwaardering te zijn. Het ligt nogal voor de hand dat een kind met een positief idee over zichzelf en zijn capaciteiten beter tegen het leven opgewassen is dan een kind dat zichzelf maar niks vindt. Het verband is zo duidelijk dat het bijna een tautologie is.

Het probleem met tautologische verbanden is dat er niet zoveel aan te verwrikken valt. Neem bijvoorbeeld de stelling dat kinderen die opgroeien in een gezin waar de vader en moeder als kat en hond met elkaar omgaan, ongelukkiger zijn dan kinderen wier ouders een goed huwelijk hebben. Wat te doen met het oog op de kinderen in het geval van een slecht huwelijk? Het huwelijk verbeteren is vast een betere oplossing dan tot scheiding overgaan, maar ja, ga er maar aan staan. Ruziënde ouders moeten zich aardiger gedragen tegen elkaar en kinderen met onvoldoende zelfwaardering moeten meer geprezen worden. De oplossing lijkt even simpel als futiel als uiteindelijk kosmetisch.

De self-esteembeweging heeft een ideologische component, vooral waar die gebruikt wordt als onderwijsstrategie om tegenwicht te bieden tegen de mensonterende toestanden in de Amerikaanse binnensteden. De redenering gaat ongeveer zo: kinderen groeien op in een door drugs en geweld geteisterde buurt. Ze hebben alleen een moeder, hun vaders zijn dood of zitten in de gevangenis. De wanhoop van de moeders, vaak niet meer dan tieners, en de uitzichtloosheid van het bestaan vormen geen ideale voedingsbodem voor het ontwikkelen van een behoorlijke zelfwaardering. Hoe kan de school hierop aangrijpen? Ik citeer nu een schooljuffrouw van een Washingtonse binnenstadsschool die haar klasje aan het begin van het schooljaar zo toesprak: “Miss Ciferri zal jullie nooit vertellen hoe je moet tekenen, omdat jullie de beste kunstenaars zijn die ik ken. Als jullie een tekening maken, is die altijd perfect.”

Arme kinderen, denk ik dan. Hoe ze zich ook thuis gedragen, het blijft ellende, en wat ze ook op school doen, het is allemaal even geweldig. Als dat niet de weg naar regelrechte verkniptheid betekent, dan weet ik het niet meer. Scholen kunnen wel een beetje compenseren voor de trauma's van thuis, maar dan toch vooral op een indirecte manier - via het aanleren van vaardigheden, waardoor het kind meer controle over z'n leven krijgt. Het op voorhand onderstrepen van genialiteit geeft niet alleen een valse voorstelling van zaken, het kind ontwikkelt ook geen standaarden, omdat elke krabbel op papier, elk torentje van drie blokken de loftuitingsmachine al op gang brengt.

In de self-esteemideologie wordt opperste waarde gehecht aan het hebben van een goed gevoel over jezelf. Het merkwaardige is dat dit "feeling good' als een voorwaarde voor prestaties wordt beschouwd in plaats van een gevolg. Toch is het gevoel van trots en tevredenheid na een echte inspanning (tien minuten lang je best doen op een zeer speciale tekening) iets wezenlijk anders dan de routinematige lof van de juf voor een paar ongerichte verfklodders. Vijfjarigen weten heel goed wat het verschil tussen die twee is, of ze nu in een getto opgroeien of in een buitenwijk.

Van de gedragingen van kinderen valt ongeveer tien procent onder de categorie lofwaardig, tien procent onder de categorie "vraagt om correctie' en de rest is normaal, niets bijzonders. Tussen corrigerend optreden van autoriteiten en de zelfwaardering van kinderen bestaat om te beginnen al een gespannen verhouding. Wanneer je de kleine wilt afhouden van wangedrag en je tegelijk zijn zelfrespect overeind wilt houden, moet je volgens de theorie niet aankomen met uitdrukkingen als "wil je dat wel eens laten, lelijke aap', maar hem sussend toespreken en zijn gevoelens spiegelen. Op school kan zo'n houding wel effectief zijn, zeker als de onderwijzer het spiegelen laat zitten en de boosdoener rustig maar beslist naar de time-out verwijst. Met valse vriendelijkheid kun je vaak meer bereiken dan met echte woede.

Maar hoe ver moet je gaan met valsheid in woord en gebaar? De self-esteembeweging predikt het prijzen als panacee voor het op peil houden van de zelfwaardering, dus ook voor gedragingen die goed beschouwd niets bijzonders zijn. Ik zie om me heen waar dit toe leidt: tot een vloed van verbalisatie. Kleine kinderen worden begeleid door een constante verbale stroom, doorspekt met "sweeties' en "honeys', waarin alle gevoelens die er in hen omgaan nauwkeurig worden geëxpliciteerd in passende termen, en waarin inderdaad de kleine, prijzende aanmoedigingen als lottoballetjes over elkaar heen buitelen.

Als ik zo'n tafereel gadesla, dringt zich het beeld op van de roofvogel die spiedend door de lucht zweeft en zich ineens als een steen laat vallen. Een kind zit zoet in een hoekje iets onschuldigs te doen en, tsjak, daar heb je de almachtige, alles in de gaten hebbende en vooral alles becommentariërende volwassene: “oh, that's just wonderful, what you're doing! That's just great!”

Het is bemoeizuchtig, het is vals, en erger nog, ik denk niet dat het helpt tegen low self-esteem.