Renaissance in de polder

Renaissance-raadhuizen boven het IJ. 'Een Huijs om te vergaderen ende tgerecht te houden'. Door C. Boschma-Aarnoudse. Walburg Pers, 1992. ƒ 29,50. ISBN 906011.779.4

De mooiste en leegste polders van Nederland vind je boven het IJ. Wie zegt niet van plat polderland te houden, heeft zich nooit van kilometers afstand op de stompe toren van Ransdorp hoeven oriënteren; heeft nog nooit bij het vallen van een zomeravond vanaf de Beemsterringvaart de dorpjes De Rijp en Graft genaderd en het weeïg zoete gevoel gehad weg te zinken tussen sloten en kanalen. De oude Beemster, al in 1612 door Leeghwater drooggemalen, de Eilandspolder en de polders van Wormer, Jisp en Nek, met tot de verbeelding sprekende plaatsnamen als 't Verbonden Hoofd, Elfenrune en - verder westelijk - het Verloren Einde: het zijn mijn liefste polders. Ik verkies ze boven de ten zuiden van Amsterdam gelegen Rondehoep, die massa's fietsers op zondag "doen', en de door wegen omringde weilanden bij Abcoude. Zo plat als de polders ten noorden van het IJ zijn, zo geaccidenteerd is hun geschiedenis. De tientallen kerkjes aan de strakke horizon en de talloze gemeenschapshuizen, waar soms niet meer dan twee gemeenteleden samenkwamen, herinneren aan de zestiende- en zeventiende-eeuwse twisten tussen Waterlanders, gereformeerden, socianisten en menisten over de juiste interpretatie van het Woord Gods.

Het Noordhollandse polderland was echter niet alleen een broedplaats van theologische haarkloverij, het groeide ook uit tot een centrum van handel, visserij en technische vernieuwingen. Het droogmalen van het land trok ambachtslieden aan: timmermannen, landmeters, architecten en steenhouwers. De bekendste waterbouwkundige, Jan Adriaensz Leeghwater, werd in De Rijp geboren en deed daar met een clubje van doopsgezinde "vernunftelingen' uitvindingen, waarvan de grappigste de duikklok was. Met deze klok, zo demonstreerde Leeghwater in 1605 en 1606 aan prins Maurits en Frederik Hendrik en later ook op de kermis in Amsterdam aan het grote publiek, kon je wel drie kwartier onder water leven. Leeghwater schreef op de bodem van een gracht een brief, at een peer en speelde op de schalmei psalm 23 "De Here is mijn redder'.

De prinselijke toeschouwers stonden verbluft. Stadjes en dorpen als Jisp, Schermerhorn, Barsingerhorn, De Rijp en Graft stralen met hun schoongeboende straten, geharkte grintpaden, kabouterachtige bruggetjes en gerestaureerde boerderijen weinig meer van het culturele tumult van vroeger uit. De oude welvaart is nog wel af te lezen aan de raadhuizen, die in de tijd dat ze werden gebouwd, statussymbolen waren waarmee rijke gemeentes elkaar de loef probeerden af te steken. Op initiatief van het Rijper Museum verscheen onlangs bij de Walburg Pers een boekje waarin auteur Corrie Boschma de geschiedenis van de Renaissance-raadhuizen boven het IJ in kaart bracht. Het museum in De Rijp zag de noodzaak van een dergelijk uitgave in, omdat van de oorspronkelijk drieëntwintig zeventiende-eeuwse raadhuizen er op het moment nog maar negen bestaan. Met historische bouwtekeningen, gravures, foto's, historische oogetuigenverslagen en andere bronnen schetst Boschma de geschiedenis van de gemeentehuizen: hun Italiaans beïnvloedde bouw, hun bloei, functie, verval (in de Franse tijd), sloop of restauratie.

Zowel het kleinste raadhuis van Nederland in Groet, waar je zo snel aan voorbij loopt omdat het maar 4,25 x 6,75 meter meet, als het grootste en voor noordelijke begrippen uitzinnig gedecoreerde trapgevel-raadhuis in Graft komen aan de orde. Boschma's boek is een bescheiden compendium van renaissancistische architectuur, dat voldoet aan de doelstelling die het Rijper Museum bij publicatie voor ogen had: al bladerend wens je je weer boven het IJ.