Reinier Lucassen husselt de kunst door elkaar

Tentoonstelling: GrossBild. T/m 18 april in het Gemeentelijk Museum Jan Cunen, Molenstraat 65, Oss. Di t/m vr 10-17u, za en zo 14-17u. Catalogus ƒ 35. T/m 14 maart in Galerie van Esch, Van Abbehuis-Bilderdijklaan 19, Eindhoven. Di t/m za 13-17.30u.

“Alles wat ik mooi vind, vind ik zo mooi!” Jammer dat er nooit een museumdirecteur op het idee gekomen is om Johnny van Doorn, die deze weinig zeggende maar veel verklarende uitspraak op zijn naam heeft staan, uit te nodigen om tenminste iets van dat 'alles' eens te tonen. Dat het lang zo gek nog niet is om een kunstenaar vrij spel te geven bij de samenstelling en inrichting van een tentoonstelling blijkt uit 'GrossBild' - een samenvoeging van 'Grossstadt' en 'Weltbild' - in het Gemeentelijk Museum Jan Cunen in Oss. In 'GrossBild', een tentoonstelling gemaakt door beeldend kunstenaar Reinier Lucassen, gaat het volgens de ondertitel over 'overeenkomsten en verschillen in hedendaagse westerse en niet-westerse kunst'. De tentoonstelling weerspiegelt echter vooral Lucassens visie op schoonheid. Zo'n tweehonderd beelden, tekeningen, schilderijen en grafische werken worden getoond van vijftig Europese kunstenaars en een onbekend aantal anonieme collega's uit Afrika en Zuidoost-Azië. Wat dat laatste betreft gaat het om traditionele volkskunst.

Van Appel tot Zorio en van Mbutti tot de Lobi; van schilderijen met vaardige verfstreken tot een tekening van dynamische salamander met mysterieuze cijfers op zijn ruggegraat hangen tussen parmantige poppen van de Moba uit Togo en expressieve motieven, tevoorschijn getoverd op houten panelen door Papoea's. Lucassen husselde de kunst prachtig door elkaar. Lappen geappliqueerde stof van de Kuba vertonen Willem Hussem motieven. Benner, Ouborg, Armando, Wolvekamp, Lucebert komen plotseling uit Opper Volta of Togo.

Maar na verloop van tijd ga je onbewust in elk kunstwerk toch een Lucassen zien en dat komt niet alleen omdat hij in zijn oeuvre al jaren vrijelijk uit de kunstgeschiedenis citeert, lang voordat dit in de mode kwam. Hij profileert zichzelf in andermans kunst. Lucassen lijkt tijdelijk naar Oss verhuisd te zijn. Op een interieurfoto in de catalogus staat rond een schoorsteenmantel een stel grappige houten beeldjes, gesneden door de Mambila's uit Kameroen, van een man en een vrouw die met grote ronde kijkers en opengevallen mond verbaasd rondkijken. Daarnaast staat een abstract aandoend beeld uit Nieuw Guinea: in een bijna gesloten ovale vorm die de lege ruimte bewaakt met twee gevaarlijk scherpe punten lijkt een oog te zijn opgesloten. Minstens even geheimzinnig is Lucassens eigen schilderij 'Steentijd komt (Loch in Eeuwigheid)' waarop een eenvoudig plustekentje het middelpunt vormt tussen uitgespaarde cirkels en raadselachtige getallen.

Een deel van de bruiklenen aan het Museum Jan Cunen is afkomstig uit Lucassens privé-verzameling. Wat hij verder ten toon wilde stellen, wees hij aan in oude catalogi. “Daarna gingen wij op zoektocht”, vertelt conservator Edwin Jacobs, die ergens in een la nog een mooie, nooit eerder getoonde, Michaux aantrof. “Sommige kunstwerken uit openbare collecties waren onvindbaar of bleken al jaren op de kamer van een wethouder te hangen.”

Onbekend maar vertrouwd werk met bekende namen als Caro, Corneille, Raveel en Bram van Velde maken 'GrossBild' tot een feest. maar ook minder klinkende namen excelleren. Bijvoorbeeld een beeldje van de Weense beeldhouwer Frits Wotruba (1907-1975), een fraaie stapeling van handgevormde rechthoekige blokken die een in brons gegoten knielend figuurtje voorstelt.

Vooral de kleinere sculpturen, zoals de ijzeren composities van Tajiri, de totempaalachtige beelden van Theo Niermeyer en Alphons Freijmuth en een houten paal bemutst met een oude sok van Joseph Beuys komen prachtig uit in het bijzijn van houtsnijwerk uit Afrika of Zuidoost-Azië.

Lucassen wijst er op dat 'primitieve' kunst allesbehalve onbevangen en spontaan is. Ze voldoet aan strenge regels die zijn vastgelegd in een traditie. En passant toont Lucassen in 'GrossBild' aan dat voor bijvoorbeeld Cobra-kunst eigenlijk hetzelfde geldt. Het patent op het kinderlijke spontane en de 'vrijheidsschreeuw' in de kunst van na de bevrijding berust niet bij Cobra. Lucassen laat zien dat de Deense schilder Henri Heerup (1907) een goede voorloper is. Helaas moet 'GrossBild' het stellen met twee late schilderijen van hem uit 1976. Ook Eljer Bille, Robert Jacobson en Asger Jorn, de misschien wel sterkste schilder en propagandist van de Cobrabeweging zijn vertegenwoordigd.

Bij de galerietentoonstelling van 'GrossBild' bij Van Esch in Eindhoven komt een opmerkelijk verschil tussen westerse en niet-westerse kunst naar voren. Een vrij kleine gouache van Asger Jorn staat op de prijslijst genoteerd voor bijna vijftigduizend gulden. Een groot beschilderd paneel uit Nieuw Guinea kost daarentegen slechts zestienhonderd gulden.