Pollen drukt cijfers; Examentijd valt slecht voor kinderen met hooikoorts

Kinderen met hooikoorts (pollenallergie) leren slecht op de dagen waarop ze last hebben van hun allergie, ook als ze door medicijnen geen loopneus of verstopte neus, niesbuien, tranende en rode ogen meer hebben. Dat blijkt uit een onderzoek van het Maastrichtse Instituut voor Geneesmiddelen, Veiligheid en Gedrag.

""Het samenvallen van het hooikoortsseizoen, van half mei tot in juli, met de voorbereiding voor veel examens en overgangstoetsen is oneerlijk voor kinderen met hooikoorts,'' concludeert psycholoog drs. E.F.P.M. Vuurman uit zijn studie waarvan de resultaten binnen enkele maanden in een allergologisch vaktijdschrift worden gepubliceerd. ""Het zou misschien beter zijn de examens buiten het hooikoortsseizoen af te nemen omdat 10 tot 20 procent, afhankelijk van de woonplaats, van de schoolkinderen last heeft van hooikoorts. Een bewijs dat hooikoortspatiënten ook slechter presteren op examens is er echter niet. Dat is vreemd genoeg nog nooit goed onderzocht.''

De conclusies van de studie zijn voorzichtig, want het is voor het eerst dat het leervermogen van al of niet gemediceerde hooikoortspatiënten tijdens een hooikoortsaanval is vergeleken met dat van leeftijdgenoten die geen last hebben van de in het voorjaar overvloedig vrijkomende allergie-opwekkende gras-, onkruid-, of bomenstuifmeelkorrels. Bij de hooikoortspatiënten werd de invloed van twee verschillende antihistaminica, veelgebruikte geneesmiddelen tegen hooikoorts, onderzocht.

Aan het onderzoek deden 73 kinderen uit de groepen 7 en 8 van de basisschool mee, gemiddeld ruim 11 jaar oud. Onder hen waren 52 hooikoortspatiënten, de overige 21 vormden de gezonde controlegroep. Na een introductiegesprek en -onderzoek was het wachten op het stuifmeelseizoen en de allergische reactie. Als een kind last kreeg van hooikoorts en de verschijnselen aanhielden, ging het de volgende dag niet naar school maar naar het "klasje' op het onderzoeksinstituut. In het klaslokaal was plaats voor zes leerlingen. De onderzoekers waren ruim twee maanden paraat om de hooikoortspatiëntjes te testen. Op regenachtige dagen was het klasje meestal leeg. Bij mooi weer, als er allergie-opwekkende planten bloeiden, stroomde de klas vol. Gezonde kinderen werden opgeroepen om het klasje aan te vullen. Voor de "les' begon kreeg een derde van de hooikoortskinderen een ouderwets versuffend antihistaminicum, een derde kreeg een niet-sederend antihistaminicum zoals de afgelopen vijf jaar op de markt is gekomen en een derde kreeg een nepmiddel (placebo). De kinderen, de onderzoekers en de "juf-voor-een-dag' wisten niet welk kind welk middel kreeg. De kinderen moesten een simulatiespel spelen waarin aardrijkskunde, rekenen en logisch denken zijn gecombineerd. Een paar keer kreeg het klasje een strikt geprotocolleerde les over de sociaal-geografische achtergronden.

Twee weken na de buitengewone schooldag kwam iedere groep kinderen nog een uur terug. Ze waren dan vrij van hooikoorts. Met drie toetsen werd onderzocht wat ze tijdens hun hooikoortsaanval hadden geleerd. Naast feitenkennis over het programma werd getoetst of de kinderen de opgedane kennis over landbouw, gronderosie, landbouweconomie, klimaatinvloeden en gezinsplanning ook naar andere situaties konden overplaatsen. Tenslotte kregen de kinderen het simulatiespel nog een keer te spelen.

De resultaten waren verrassend. Vuurman: ""We verwachtten dat de versuffende werking van het oude antihistaminicum het grootste effect zou hebben en dat de placebogroep, de groep met het nieuwe antihistaminicum en de gezonde groep ongeveer gelijk zouden scoren. Maar dat was niet zo. Op alle onderdelen scoorde de normale groep beter, terwijl de verschillen tussen de drie groepen hooikoortskinderen statistisch niet significant zijn.'' Er is wel een trend: kinderen op niet-versuffende antihistaminica leren iets beter dan kinderen die een placebo kregen en die deden het weer beter dan de kinderen op ouderwetse antihistaminica.

De onderzoekskosten van ruim 300.000 gulden werden grotendeels betaald door Shering-Plough, de Amerikaanse fabrikant van het gebruikte niet-versuffende antihistaminicum loratadine. De opzet was argumenten tegen het versuffende middel difenhydramine te verkrijgen. Vuurman: ""In Nederland is dat oude middel geen belangrijke concurrent meer, hoewel het nog in enkele hoestdrankjes zit. Maar in de Verenigde Staten is er nog een markt van vele miljoenen dollar. Het oude difenhydramine is al meer dan dertig jaar op de markt, al voordat in de VS de geneesmiddelenregistratie werd ingevoerd. Alle middelen van voor die tijd zijn zonder recept verkrijgbaar. Difenhydramine behoort er tot de meest verkochte vrij verkrijgbare middelen. Het beïnvloedt de rijvaardigheid. Je kunt slecht met machines omgaan. De moderne antihistaminica die minder problemen geven zijn echter alleen op recept verkrijgbaar. De fabrikanten ervan willen dat difenhydramine van de markt verdwijnt en proberen de overheid met dit soort onderzoek van hun gelijk te overtuigen.''

Kritiek

Kritiek is er ook op het onderzoek. Vuurman: ""We hebben het effect van een eenmalige medicijngift gemeten. Er zijn onderzoekers die zeggen dat bij meerdaags gebruik het effect van antihistaminica afneemt en de patiënten helderder worden. We hebben een nieuwe subsidie, van een andere antihistamine-fabrikant, om dat te onderzoeken. Aan de andere kant zijn er onderwijzers die zeggen dat ze al lang wisten wat we met veel inspanning hebben gevonden. Hooikoortspatiëntjes zijn volgens hen tijdens een aanval niet voor de leerstof te interesseren.''

Als verklaring voor het verschil tussen de normale kinderen en de hooikoortskinderen denken de onderzoekers aan effecten in de hersenen die de hooikoortspatiënten het signaal geven dat ze ziektegedrag moeten vertonen. Hooikoorts is een niet-adequate reactie van het afweersysteem op binnendringende stuifmeelkorrels. Niet adequaat, omdat het geen ziekteverwekkers zijn. Er ontstaat plaatselijk een ontstekingsreactie. De cellen van het afweersysteem die de binnendringers waarnemen scheiden stoffen uit, de zogenaamde ontstekingsmediatoren, die plaatselijk een ontsteking veroorzaken: de luchtwegen vernauwen, de slijmproduktie in de luchtwegen neemt toe, de bloedvaten worden wijder en poreus waardoor de opruimcellen buiten de bloedbaan hun werk kunnen doen. Vuurman: ""Vroeger dacht men dat ziektegedrag - we verstaan daaronder in je schulp kruipen en al je energie vrijmaken voor de bestrijding van de infectie - het logische gevolg was van de ziekte. Maar waarschijnlijk wordt het actief opgewekt door enkele van die ontstekingsmediatoren die de hersenen bereiken of op een andere plaats door het zenuwstelsel worden waargenomen. Het idee is nu dat de antihistaminica wel de plaatselijke ontstekingsreactie stilleggen doordat de ontstekingsmediator histamine onschadelijk wordt gemaakt. Het ziektegedrag wordt echter veroorzaakt door een andere mediator - gamma-interferon is kandidaat - die kennelijk in veel gevallen nog wel een ziektesignaal aan de hersenen geeft. Maar ik moet zeggen dat dit nog allemaal speculatie is.''