Philips en industriebeleid

HET VERLIES van negenhonderd miljoen gulden uit de gewone bedrijfsvoering dat Philips vanmorgen heeft bekendgemaakt, werpt lange schaduwen over het Nederlandse industriebeleid.

De problemen bij Philips, de grootste particuliere werkgever in Nederland en een van de kurken van nationale bedrijvigheid, zijn tweeëneenhalf jaar na het begin van het saneringsoffensief Centurion nog steeds niet overwonnen. Als het slecht blijft gaan op de Europese afzetmarkt met de verkoop van de elektronica en als structurele veranderingen uitblijven kan de actie "tienduizend piek voor een fabriek' binnenkort worden ingeluid.

Philips verkeert in grote financiële en industriële moeilijkheden en daarmee sluit het elektronica-concern zich aan in de rij van zieke ondernemingen. Verschillende mogelijkheden doen zich voor, met als ene uiterste dat de banken de kredietkraan dichtdraaien en de schepping van Anton en Gerard Philips in betalingsproblemen komt. Als andere uiterste kan de overheid bij wijze van verregaand industriebeleid besluiten Philips te nationaliseren. Of het bedrijf kan op zoek gaan naar een sterke partner die nieuw vermogen inbrengt, maar met de internationale malaise in de elektronica-industrie, ook in Japan, is dat niet waarschijnlijk.

Vermoedelijk zal Philips dus terechtkomen in Den Haag. Daar heeft minister Andriessen (economische zaken) vorige week een nota over het industriebeleid in de jaren negentig gepubliceerd, die zo niet letterlijk dan toch impliciet duidelijk maakt dat het kabinet bereid is om Philips te redden.

IN DE INDUSTRIENOTA heeft Economische Zaken de gedachten van Harvard-hoogleraar Michael Porter (The competitiveness of nations) omarmd en wordt lovend gesproken over clusters van met elkaar verbonden economische activiteiten. Die moeten worden gekoesterd en daarvoor is nodig dat de kern van zo'n cluster in stand blijft. De nota is een uitwerking van de populaire Porter voor het Nederlandse beleid. De structurele zwakheden van de Nederlandse industrie komen met de huidige economische tegenwind genadeloos aan de oppervlakte: de concurrentiestrijd wordt heviger, de technologische vernieuwing omvattender en het internationale karakter van de economie sterker.

Wijzer geworden door de ervaringen die zijn opgedaan bij Fokker en DAF houdt Andriessen toch vast aan een terughoudende opstelling van de overheid. Industriebeleid betekent voor hem dat het ondernemersklimaat gunstig moet zijn: de overheid moet zorgen voor de randvoorwaarden - onderwijs, infrastructuur, belastingklimaat - en geen zak met geld klaarzetten voor ieder bedrijf dat in de problemen komt. De overheid moet “ten principale” niet opdraaien voor verkeerd uitgevallen bedrijfsbeslissingen. Het industriefonds van ruim achthonderd miljoen gulden dat Andriessen met steun van banken en pensioenfondsen heeft opgezet, is niet bedoeld om gaten te dichten bij probleemgevallen, maar om innovatieve, succesvolle ondernemingen te steunen.

Voor “majeure gevallen met een uitzonderlijk karakter” maakt Andriessen een uitzondering. Bedrijven in moeilijkheden die een spilfunctie innemen wat betreft toegevoegde waarde, kennis en technologie, moeten in stand worden gehouden zolang ze uitzicht hebben op herstelde winstgevendheid en ook andere financiers bereid zijn risicodragend geld beschikbaar te stellen.

MET EEN OOG op de Philips-cijfers blijkt uit de industrienota dat DAF niet meer dan een proefopstelling was. De werkelijke test voor Den Haag en het marktgerichte industriebeleid komt met de overlevingskansen van Philips.