Minister komt veehouders met wet tegemoet

DEN HAAG, 4 MAART. Minister Alders (milieu) komt veehouders die nog geen (geldige) hinderwetvergunning hebben verder tegemoet dan hij oorspronkelijk van plan was.

Bij de voorbereiding van een noodwet die een einde moet maken aan de illegale situatie van duizenden boeren, wil hij uitgaan van de omvang van de veestapel in 1986 in plaats van 1981. Alders volgt daarmee in grote lijnen een voorstel van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK). Hij wil dat veehouders een vergunning krijgen voor het aantal dieren dat zij in 1986 hadden, onder de voorwaarde dat zij de uitstoot van ammoniak verminderen, binnen drie of vijf jaar.

Als na die periode blijkt dat de veehouders zich niet aan de afspraken hebben gehouden, kunnen hun bedrijven worden gesloten. Wanneer boeren drie jaar de tijd krijgen om de ammoniak-uitstoot terug te dringen, moeten pluimveehouders de uitstoot met 80 procent reduceren varkenshouders met 40 procent en rundveehouders met 20 procent. Als het over vijf jaar wordt uitgesmeerd, zijn die percentages 90, 60 en 30 procent.

Aanleiding voor de noodwet is een uitspraak van de Raad van State, die in januari een hinderwetvergunning vernietigde van twee veehouders in Ambt Delden. Volgens de raad had de gemeente de vergunningen niet mogen verlenen, omdat de omgeving al te veel was verzuurd. Sindsdien vrezen veel boeren voor het voortbestaan van hun bedrijf.

Inclusief de voorwaarde van de verminderde ammoniak-uitstoot is dat volgens een woordvoerster van Alders “een reële variant”. Zij wijst erop dat eerst nog moet worden berekend of het voorstel van de agragrische jongeren wel tot de gewenste milieu-resultaten leidt. Dat heeft weer tot gevolg dat het kabinet zich op zijn vroegst volgende week over een concept-noodwet buigt.

Minister Bukman (landbouw) was van meet af aan voorstander van 1986 als peiljaar. Daarmee zou de omvang van de veestapel het minst worden aangetast. Alders hield aanvankelijk 1981 aan, omdat de Hinderwet in dat jaar werd uitgebreid met de bepaling dat het verlenen van vergunningen rekening moest worden gehouden met de mogelijke aantasting van ecologisch waardevolle objecten, bijvoorbeeld door de uitstoot van ammoniak. In zijn oorspronkelijke plan mocht ook van een later peiljaar worden uitgegaan als gemeenten plannen hadden of zouden maken om de verzuring op hun grondgebied terug te dringen.