Macedoniërs binnen Griekenland willen ook erkenning

De Griekse regering heeft een reeks van argumenten tegen de erkenning van de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië. Zo moeten volgens de Grieken eerst de rechten van alle minderheden in de nieuwe staat worden gegarandeerd. Intussen klagen Slavisch-sprekende Macedoniërs in Griekenland zelf over dicriminatie.

LOFI, 4 MAART. Voor een volk dat officieel niet bestaat, maken de bewoners van Lofi toch een levensechte indruk. Toegegeven, dit Griekse dorp dat tegen de grens met het voormalige Joegoslavië aanligt, is moeilijk te vinden en de kuilen in de weg nopen je ertoe halverwege terug te keren. Maar eenmaal in de taverne lijkt Lofi een dorp als alle andere in het noorden van Griekenland. Alleen spreken de inwoners geen Grieks, maar een taal die aan de andere kant van de grens Macedonisch wordt genoemd.

De zevenhonderd dorpelingen hier zien zichzelf ook als Macedoniërs, zeggen de aanwezigen in de taverne. Ze wijzen op hun andere taal, hun andere muziek en hun andere gewoonten - taal, muziek en gewoonten die overeenkomen met die van hun verwanten in de Joegoslavische en Bulgaarse delen van de oude regio Macedonië.

Slavische Macedoniërs passen niet in het beeld van Griekenland als enig etnisch homogeen land op de Balkan. Ze passen ook niet in het idee van Griekenland als opvolger van de oude Grieken, bij wie de Grieken zelf ook de Macedoniër Alexander de Grote rekenen. En ze passen helemaal niet bij het geloof dat de laatste anderhalf jaar met zoveel passie wordt uitgedragen: dat Macedonië "één, orthodox en Grieks' is. Het zit de bewoners van Lofi de laatste tijd dan ook niet mee.

Afgelopen juli bijvoorbeeld, toen 3.000 mensen uit de omgeving zich naar het dorp begaven voor de viering van een Macedonische nationale dag, hield de politie op de slingerweg hier naar toe ineens een uitgebreide verkeerscontrole. En in december verschaften vijf politiemannen in burger zich met veel misbaar toegang tot het kerstfeest om te controleren of er geen "schunnige' teksten werden gezongen.

Zo vertelt althans Kostas Tasopoulos het. Hij is lid van de jonge, kleine, "Vereniging tot voorspoed van de Balkan-volkeren' en als hij eenmaal begint komt er geen eind meer aan. Grieken uit de "Macedonische' dorpen krijgen nooit een baan bij de overheid. Ze worden als dienstplichtigen altijd ver weg naar Kos of Kreta gestuurd, terwijl in de omgeving toch ook kazernes staan. Bezoekende familieleden uit Joegoslavië of Bulgarije worden aan de grens geweigerd en de politie maakt zich schuldig aan pesterijen.

De klachten van Tasopoulos zijn niet eenvoudig te controleren. Maar organisaties voor de rechten van de mens hebben vergelijkbare grieven gemeld. En tijdens ons gesprek en de autoritten daarvoor en daarna blijven twee onbekende mannen voortdurend in de buurt.

Tot voor kort hoorde je nooit iets uit Lofi of uit een van de andere dorpen in de provincie Florina, waar (volgens oncontroleerbare schattingen) tussen de zestig- en honderdduizend Slavisch-sprekenden wonen. Sinds 1913, toen de Ottomaanse provincie Macedonië na twee Balkan-oorlogen werd verdeeld tussen Griekenland, Servië, en Bulgarije, is de vergrieksing van het gebied voortvarend ter hand genomen. Bij de "bevolkingsruilen' halverwege de jaren twintig om de bewoners van de Balkan aan de meest passende kant van de nieuwe grenzen te krijgen, werden honderdduizenden Griekse vluchtelingen uit Turkije juist in Macedonië opgevangen. Alle Slavische plaatsnamen werden afgeschaft. Na de mislukte poging van communisten in de jaren veertig om Macedonië te "bevrijden' en met de twee andere delen te herenigen, werden alle Slavisch-sprekenden uit overheidsdienst ontslagen. Boeren met grond aan de grens moesten publiekelijk verklaren dat zij geen Macedonisch spraken of vertrekken. Van de achterblijvers is weinig meer vernomen: deze "slavofone Grieken' worden verondersteld te zijn geassimileerd.

Maar laat in de jaren tachtig, na de toetreding van Griekenland tot de EG en tegelijk met de herleving van het nationalisme in Oost-Europa, is de Slavisch-talige bevolkingsgroep zich voorzichtig als minderheid gaan manifesteren. Zo werden er "Macedonische verenigingen' opgericht. Hoe groot ze zijn en hoe talrijk hun aanhangers is niet vast te stellen. De verlangens zijn eenvoudig: “We vragen niets anders dan dat ook onze muziek eens op de radio mag, dat ook onze kinderen hun taal ook op school kunnen leren, dat ook onze families op bezoek mogen komen”, zegt Hadrianus Passois, boven wiens wasserij de Beweging voor de voorspoed der Balkan-volkeren een kantoortje heeft.

Passois heeft zijn hoop gevestigd op de Europese Gemeenschap, die zich volgens hem sterk maakt voor de etnische minderheden in de EG-landen. Maar vooralsnog is volgens Passois de positie van de Slavische Macedoniërs in Griekenland het laatste jaar alleen maar verder verslechterd. Oorzaak: het onafhankelijkheidsstreven van de voormalige Joegoslavische republiek aan de andere kant van de grens. “We worden gezien als handlangers van Skopje.”

Hij haalt kranten tevoorschijn waarin beschuldigingen van landverraad met groot formaat letter zijn afgedrukt. Zijn wasserij in Aridea, een stadje ten noordwesten van Thessaloniki met een voornamelijk Griekse bevolking, verliest klanten na elke publikatie waarin zijn naam voorkomt. Ook is Passois niet herkozen in zijn bestuursfunctie bij de plaatselijke afdeling van de socialistische partij. Alweer, het is moeilijk te controleren. Maar de bevriende van oorsprong Belgische garagehouder die ons gesprek vertaalt, wil bij het verlaten van het pand liever niet gezien worden.

Aan een enkele "onruststoker' in het noorden wil onderminister van buitenlandse zaken Virginia Tsouderos weinig woorden vuil maken. Op haar werkkamer in Athene spreekt ze met het geduld van een wiskundeleraar die een toch niet zo heel ingewikkeld probleem voor de zoveelste keer uitlegt. “De Macedonische etniciteit is door Tito verzonnen”, begint ze haar betoog. Tito creëerde in 1944 in het zuiden van Servië een nieuwe republiek om zijn streven naar een Joegoslavische haven aan de Egeïsche zee te rechtvaardigen, en om de macht van Servië binnen de federatie te beperken. Om de mengelmoes aan volkeren die er woonde bijeen te houden, bedacht hij een nieuwe identiteit: de Macedonische. Hij noemde de republiek Macedonië, al besloeg ze voor minder dan de helft uit gebied dat deel had uitgemaakt van het antieke Macedonië. Hij zorgde dat alle kinderen op school les kregen over antiek Macedonië. En dus, concludeert Tsouderos, “zet Gligorov de politiek van Tito voort als hij zijn nieuwe staat per se Macedonië wil noemen”.

De Griekse regering verzet zich al meer dan een jaar tegen de erkenning van de vroegere Joegoslavische deelrepubliek onder de naam Macedonië. Zij wijst er daarbij op dat de grondwet van de nieuwe staat een artikel bevat met de strekking dat de republiek zich interesseert voor de Macedoniërs buiten de landsgrenzen. En dat als vlag is gekozen voor de zestien-puntige zon, die in 1977 bij archeologische opgravingen in Griekenland is gevonden. En dat de regering in Skopje niet optreedt tegen demonstranten die schreeuwen dat de Grieks-Macedonische stad "Thessaloniki van ons' is. En dat, ten slotte, diegenen die dit alles afdoen als pietluttigheden de bloedige geschiedenis van de Balkan niet kennen - een gebied dat Griekenland als enige EG-land wel kent, eenvoudig omdat het er deel van uitmaakt.

Tsouderos staat in haar opvatting over de kunstmatigheid van het Macedonische volk niet alleen. Volgens de Bulgaren zijn de Macedoniërs eigenlijk Bulgaren, volgens de Serviërs gaat het om Zuid-Serviërs en Albanië herinnert eraan dat een deel van de bevolking Albanees is. Als "Skopje' erkenning wil moet het dus wel de rechten van alle minderheden garanderen, waarschuwt de Griekse minister. Minderheid is een complex begrip in dit deel van de wereld.